Toen sloegen wijd de glazen deuren open. Snel trad het slanke prinsje op t balkon, Frommelde blozend aan zijn strik en knoopen, Maar lachte helder als de lentezon. En eensklaps lachten al de menschen mede. Toen boog hij dankend, gratievol
Auteur: Helma
O, dit geluk bij u te zijn!
O, dit geluk bij u te zijn En al t andre te vergeten. Alleen te leven van het weten: En ik ben de uwe en gij zijt mijn! En geen verdriet of wensen meer; Een vreê, waaruit men niet kan
Avondliederen I-III
I Het mildë avondlicht werd koel en flauw, De wind bleef fluistrend in de boomen hangen. En gij alleen in ’t veld: der oogen blauw Werd kwijnend goud van ongestild verlangen. De klaver geurde door den witten dauw Zijn zoete
Aan een onbekende
Dit is voor u, die ik niet ken. Dit kunnen enkel woorden wezen, Die zeggen, dat ‘k gelukkig ben, Om u, nu ‘k langzaam ga genezen Van ziekte en zorg en zonde en dood.- De wind doet alle misten deinen
Schemerliedje
Als de hemel blinkend bleeke En de wereld duister is, Luister ik, waar of uw weeke Ademzacht gefluister is … Dicht aan mijn gezicht gedoken Streelt uw even warme wang. En uw oogen zijn geloken En uw adem is gezang,
O dit ontroeren
O dit ontroeren om een klein gezicht, vredig en goed, onder donkre haren, bruin met goudglans, die de zware streling der handen doet trillen in t licht. Het zoel aandringen van dit gevoelen drijft tot het staamlen van huiverblode woorden,
De ontmoeting
Tusschen uw oogen en de mijne Was ’t licht anders dan om ons henen, Zachter en van iets teêrs doorschenen: Glanzingen die in glans verdwijnen. Alle verrukkingen: vreugde en weenen Hebben zich in dien glans gevonden; ’t Smachten van ons
Herdenking
Mijn hart herdacht zijn bitterheden En al zijn liefde wonderlijk. Ben ik aan onverhoorde beden En aan verdrukkingen zoo rijk? En is er niemand om te deelen Den rijkdom van dien last zoo groot? Dit is des harten zeerste nood:
Aanroep
Doe gij met mij naar uwen wil Ik vind geen zweem van weerstand meer, Ik ben in uwen vrede stil En ken u als mijn heer. ’t Donker weerstreven van mijn bloed Ging jaren naar uw goedheid uit. Nu zijt
Eroos tot de ziel
Wat ontwijkt gij mij verlegen? Ben ik niet met u geboren? Vond ons ’t eerste morgengloren Niet in de eendre wieg gelegen? Was de laafnis onzer moeder Uwe lippen zooveel nader? Was de kracht van onzen vader Niet ons beider