Kunt gij zelfs in slaaps welig dal Het leven niet vergeten? Als ik naar u verlangen zal, Zult gij het weten? Zal aan den hemel van uw droom Een ijle wolk verrijzen, Die uitvloeit tot een dichte doom Vochtig en
Auteur: Helma
Sonnetten – III Begeeren geeft geen troost, en het ontfangen
Begeeren geefteen troost, en het ontfangen Bereidt ons hart slechts dieper droefenis. Wij hebben meer dan ons behoeven is, En toch verziekt ons harte van verlangen. Het telt en cijfert aan den hoogen som Van winsten en verlies langs werelds
Lees meer Sonnetten – III Begeeren geeft geen troost, en het ontfangen
Sonnetten – II Mij is de schat van duizend kinderharten
Mij is de schat van duizend kinderharten, Mij is de jonge toegenegenheid Van oogen, iedren morgen nieuw verblijd, Hun luide vreugde, die elk leed durft tarten. Elk lachje dat er in hun oogen rijst, Schenken zij gul en gaarne weg
Lees meer Sonnetten – II Mij is de schat van duizend kinderharten
Sonnetten – I Wat geeft uw late toegenegenheid !
Wat geeft uw late toegenegenheid! Niets is zoo bitter dan dit medelijden, Ik moet de dagen van uw haat benijden Boven de liefde van dees laten tijd. Nu noemt uw stem mij bevend: welbemind! En sidderend is ’t streelen uwer
Voorjaar
In de heemlen is de lente ontloken. De avondlucht is teeder grijs en rood. En de sterren zijn tot troost ontstoken Boven aardes hopeloozen nood. Maar de lente kan niet nederdalen. Tusschen hier en ginder gaapt de nacht. Onzedonkere armoe
Sneeuwdag
Is dit Gods nieuw wereld? Pijnend licht Liggen de velden voor mijn zwak gezicht. Mijn hoofd is duizel-ijl, zo kort genezen Van aardes zware druk, doods kille vrezen. En overal is horeloos bewegen. Gestalten waden stil de blankheid tegen Der
De hemelroze
De bleeke lucht is vol van zilvren licht, Op aarde heerscht een veege schemering, Rondom de luchter van uw jong gezicht Verbeeft een blijde gulden wemeling : Een lach, een oogenglans, die zich verijlt, Slechts even tegen ’t domlend duister
Sonnet: Hebben onze oogen niet elkaêr bemind?
Hebben onze oogen niet elkar bemind? Heldere tranen van geluk ontsprongen, Die plotseling de veege ziel verjongen En doen ten leven keeren als een kind. Ik ben voor werelds heerlijkheden blind Door ’t heilig deelgenootschap aan uw leven: ’t Suizelen
Sonnet: Wist gij den dood wel zóó nabij?
Wist gij den dood wel zóó nabij? Zijn schaduwlooze handen Zich voor uw oogen spanden: Doorzichtig web van ijle zij. Nu is het leven u verwaasd : Gelijk verleden dagen Een gouden luister dragen, Is leed tot puur geluk verdwaasd.
Sonnetten – III Er is een liefde bitter als de dood
Er is een liefde bitter als de dood, Meer onverwoestbaar dan des levens machten. En teeder als de maan, die, bleek en rood, Rijst uit den damp der ijle zomernachten. Met ons geboren, toen in blijden nood De moeders ons
Lees meer Sonnetten – III Er is een liefde bitter als de dood