Hebt Gij mij lief, die mij wreedaardig slaat ? ‘Tot stof verstamp ik al uw zonde en haat. Eerst als de zandhoos is voorbij gestoven Ziet gij de zonneschijn van Mijn gelaat!’ * Gij maakt het tastbaar donker voor mijn
Auteur: Helma
Aan Wilhelmina
Koningin bij de gratie Gods Naar u trok ’t droomen onzer knapenjaren, Jonge Vorstin, en met ons houten zwaard, Werd ’t manlijk avontuur der middeleeuwen Door ons beleefd in al de gouden dagen Die met hun onverdoofbren luister lichtten Rondom
De massa staat op
Als één der velen nadert, zien wij hem Maar nauwelijks; zijn wezen is zoo vaal En afgenut als de versleten baal Die voor zijn eigen huisdeur ligt; zijn stem, Zijn oogopslag en onbeheerscht gebaren Zijn misschien zoo aandoenlijk als het
De nacht
Gij zijt maar zelden helder en vol licht Van maan en sterren, en met spiegelingen, Koele aandacht en ontzag, en schaduwingen Als in een groot Egyptisch aangezicht. Gij kúnt zoo zijn, des zomers als de dans Der aarde langs de
Een dichter
Toen hij verouderde, en een zich vermoeien, Dat eerst bekeken werd als zeldzaam kruid, Voortwoekerende groot werd en bleef groeien, Zichzelf herzaaiend en door niets gestuit, Wilde hij rust, en niet meer zijn bewogen, Door wat hij eens ontroerd terneder
Breêro sterft
Een land van angst lag tusschen hem en God. Hij moest lang zwerven door de donkerheden En hongeren en dorsten, en gebeden Schreeuwen en zuchten, en als een vuns vod Wegfladderen en waaien in ’t moeras, Dat hem opslokte en
Saul, luisterend naar Davids spel
’t Is alsof de vroege lente In de dalen uit gaat spruiten. Deze zachte, deze zachte, Deze zachte klank van luiten Lokt de vrouwen uit de tenten. Achter hem staan zij te smachten. Donkerrood zijn mijn gedachten. En ik werp
Gideon slaat de Midianieten
De hoornen schreeuwden: moord! moord! moord! De flesschen kletste’ als hagelslagen. En de uit hun slaap gebitsten lagen Elkaar te wurgen zonder woord. En wild van angst wierp men met kruiken En brak de lendenen van een man, Sloeg op
Bileam?
En als hij wakker lag, en ’t bonzen hoorde Van hart en aadren, werd het tot een stem Die uit het boek des bloeds las en ’t verwoordde. En het verleden leefde weer in hem. Hij zag de bloemen en
In de moskee
Hij wandelt daaglijks tussen de pilaren En de klimrozen en de ruisfontein. Hij kent: de groene vanen en het plein Waar vreemden naar de goudspiralen staren; De Koraanspreuken boven t deurgordijn; De egale zon; der schaduwen slagorden, Die zwart opdoemen,