Zij is’ een fluitend vonkje vuur Recht uit een fellen brand gevlogen, Een nietigheid met groot vermogen, Want zij verkoopt haar leven duur. Raak haar niet aan, haar gouden lijnen Omspannen doodelijk venijn. Zoo moet voor God ons hart wel
Auteur: Helma
Emblemata – III De ijsbloem
Het vriest, de nevels moeten wijken. Men stookt in hut en in paleis, En ’s morgens op de ramen prijken De wonderbloemen van het ijs. O flonkertak, o ranke varen, O tooverspel van vocht en wind, Uw schitteren, waar wij
Emblemata – II De korenwanner
De sikkel snerpt door ’t rijpe graan, En kweek en krodde, waar ze stonden, Wordt mee geslagen en gebonden En zullen mee ten dorschvloer gaan. Straks klopt de vlegel op de schoven, En op de wan danst, zwaar en straf,
Emblemata – I Het licht
Als ’t donkert, wordt het licht ontstoken, En langs de muren, vreemd en fel, Rekken en krimpen duistre spoken, En doen wat gij doet, even snel. Gij schrikt, en denkt. het licht schenkt leven Aan wat niet was en niet
De zwerver
Uw goedheid schiep de tuinen en de weiden, Het stuifzand en de bosschen zonder pad, En mij, die zich als vreemdeling liet leiden, Naar wensch en toeval rustig nederzat, Tevreden met wat Gij hebt voorgeschreven Tot sterking van dit dwalende
De componist
Hij had de deuren afgesloten En alle vensters dichtgedaan. Toen is zijn leven weggevloten En weer als melodie ontstaan. Ontbindingen, en samenstroomen Van zielsbezit en zinnenbuit, Vermoedingen en vondsten komen Schokkend en glijdend tot geluid. Het is een eindeloos versterven
De profeet en zijn opvolger
Wij moeten worden als de boomen, Die luistren in den diepen Grond. Dan, zal een ruischen door ons stroomen, En alle blaadren worden mond. De nederigen en de vrouwen Gelooven ’t open woord gezwind; Zij overreden het mistrouwen Der mannen;
De dom
Terwijl ze aan ’t fundament nog wroetten, Keken, met oogen van de mortel blind, De bouwers op in zonneschijn en wind, Of zij den torentop reeds groetten. Hij werd hun als een zoon, veel ranker En edeler dan ’t voorgeslacht;
De plas
Van de rivieren afgesneden, Eenzelvig, maar onaangetast, Handhaaft de plas zich in ’t gemeden Moeras, waar ’t riet haar eng omwast. Er trekken stalen helderheden En zware schaduwen door haar. Wat in den hemel wordt geleden, Geschiedt hier even grootsch
De muur
Hij is de sterkte van zeer velen, Die allen hun geduld en kracht Tezamen doen en samen deelen, En worden één onwrikbre macht. De klinkers rusten en zij dragen, De mortel scheidt en zij verbindt. En schoon het fundament moet