Is het zoo erg dat ik geen koopman ben Of dominee? moet ge u voor mij geneeren? Ben ‘k sjofel? Een minister dien ik ken Zit niet veel netter in zijn nette kleeren. Ons stoflijk hulsel leggen wij straks neer.
Auteur: Helma
De achtervolgde
Een oude schaapskooi of een wrakke schuur Waren zijn onderdak, maar nauwlijks veilig. Hij sliep, en nimmer was zijn slapen heilig. Hij droomde van vervolging, mes en vuur, Woelend op ’t bed van schapenmest en heide. Hij werd omringd, doorstoken
De moordenaar
Toen hij gedaan had wat hij wou, Begon er in hem een bedroeven Of hij moest wenen bij een groeve En nooit meer vrolijk wezen zou. Vlak naast hem was de vette vrouw, Nog naakt, zich wassend, of de schande
Het jubileum
Hier zit hij nevens zijne gemalin Die hen met ’t Woord vertroostte en bezeerde, Tegen hun reglementen rebelleerde, En veel te veel verdiende naar hun zin. En hoeveel zegen heeft hij hier genoten! At hij niet van hun koe en
De dominee
Hij zit elke week preken te maken, Die de gemeente Zondags komt horen. Hij moet dopen als er wordt geboren En in het sterfhuis een zucht gaan slaken. Daartussen ligt een lange reeks van jaren, Waarin men tot hem zegt:
De krankzinnige
Zij zeggen, dat ik zo verstandig praat, En dat geen trek in mijn gelaat Verraadt dat ik krankzinnig ben; Dat ik wel gek, maar zeer zachtzinnig ben. Maar of mijn zinnen krank zijn, Mijn geest kan toch wel blank zijn
Prediker
Hij voelde zich vermoeid en neêrgeslagen. En wàs hij of gevoelde hij zich oud? Hij kende liefde en de macht van goud En dat de mensch niet veel geluk kan dragen. In de heete uren van de herfstdagen Lag hij
De minnenden
De hemel is zachtgrijs Als de as van een cigaret. Er is niemand die op ons let Dan de speelman met de zeis. Over de jonge sneeuw, De glinsterend reine, Schaduwt zijn fijne Wapen, wij geven geen schreeuw. Wij weten
De spiegel
Wij glijden in uw zaal Zoo zacht als een ijl dons, Maar gij betoovert ons Tot een ding hard als staal. Meedoogenloos, scherp waar Stelte ge ons voo roogen, Wat wij opsierden, bogen, Wat eerlijk is èn naar. Wij dáár
Het lied
Verre geliefde, die straks tot mij komt, De thee dampt, eet de versche bamboespruitjes, Geniet de lente met een helder bloed. Mogen de geuren van de keizersthee U lentes liefdeduizeling verleenen. Zie, uit de harde oude bamboestaven Sneed ik mijn