Er is iets zonderlings in haar verschijnen, Iets buitenwereldsch en iets ouderwetsch, Ze heeft zich opgedirkt en blijft toch flets Binnen den vasten bouw der buitenlijnen. Wij gaan in haar vaag groen gehouden oogen Als in ’t pissoirtje bij een
Auteur: Helma
De oude jongeman
Hij weet t niet, maar is een der onbegeerden, die egoïstisch worden en jaloers. Ze suggereren dat hen niets ontbeerde, en zijn verlegen, links, en lichtelijk boers. Hij stopt zich vol met kool en wienerschnitzel, en drinkt zijn kop niet
Het oude meisje
Zij is zoo vol smachten en beminnen, Dat men haar blauwseloogen niet durft zien. Zij is ’t van ’t lange liggen gele linnen, Het ruikt naar rozen en iets muf misschien. Zij lacht onrustig, spreekt een beetje teemend, Men weet
De hulst
Hij is vol waardigheid de dorpsschoolmeester, Staat glanzend aan de rand der maatschappij, Betuttelt alles en hoort nergens bij, En is van komaf een gewone heester. Hij heeft zich dan maar prachtig opgewerkt! Daarom heeft hij zon stekelige glimlach. Hij
De gek
’t Is, of ‘k al verder van mijzelven dwaal. Ik zit in ’t middelpunt van een spiraal, Die uitzet als een wijde hoepelrok, En vastgemaakt aan een baleinestok, ‘k Word weggecirkeld, en ik lach mij krom, Ik draai vanzelven tot
Het dienstmeisje
Voor haar is iedere dag een raam, Dat zij afspoelen moet en zeemen. Maar soms is er een, blind als veemen, Dat haar verschrikt, en zonder naam. Dan denkt zij aan haar vrijen avond, De vreugd van dans en bioscoop,
De doove vrouw
Zij zat te sluimren in het ijl prieël Van ’t kroegje, waar wij wijn te drinken vroegen. Ze ontwaakte en zag verbaasd en met genoegen Hoeveel wij joegen door de jonge keel. Wij merkten wel dat zij ons niet verstond
Het horloge
Hij keek wantrouwig in zijn haarge hand, Of daar iets kostbaars lag en fonkelde. En zijn angstig gezicht verdonkerde En werd vreemdrood als bij een grooten brand. Hij sprak: de doode lag, een ruige wal; Mijn handen klommen en tastten
Boerenfeestmaal
Het is november en wij eten Nu van ons vetgemeste zwijn: De grote hammen en het klein Gesneden spek, en, niet vergeten, De lever en de fijne nieren, De dikke kronkelige worst; Het is wat zwaar en geeft ons dorst,
Begrafenis
Hij is bepaald heel net gekist: gekleed kostuum; op mat fluweel doet dat heel goed, ’t is rijk en eêl. Wat zou hij trots zijn als hij ’t wist. Het glas heeft een geslepen rand. De schuif is van licht