Machtigste van Gods weinige verkoornen, Die om het schepsel met den Schepper dong: Gij wilder, en uit dooden rots ontsprong Het leven van verrukten en verloornen. Geweldige, die u door ’t leven wrong, En zóó mishandeld werd met liefdes doornen,
Auteur: Helma
Sonnetten – X Raffaello
Hij houdt zoo argeloos van bonte kleuren, Een kind, dat blij zijn fijnste verfjes nam, En wachtte pooplend, of er iemand kwam, Om met zijn glanzend bonte prent te geuren. Hij schildert het verschrikkelijkst gebeuren Met lossen zwier en vol
Sonnetten – IX San Pietro
De kaarsen vlammen boven Petrus’ graf, Een welig bed van buigende narcissen. Kerkvorsten bidden in de hooge nissen De zegeningen van den hemel af. En heffen majesteitlijk van gebaar Hun milde handen over heel de wereld, En van gebeden duizelend
Sonnetten – VIII Roma
O Roma, wie dorst béédlen om uw gunst, Moest zich verbitterd van uw lachen wenden. Drieste barbaren, die u durfden schenden, Beschonkt gij met de schatten van uw kunst. Nog zijt gij veil als in dien verren tijd, Toen keizers
Sonnetten – VII Sint Franciscus
Hij liet de kreaturen tot Uw lof Hun bonte mengeling van stemmen reien; ’t Kirren van duiven en der raven schreien En ’t ritselen van regen in den hof. De zonnen dreunden en de maan zong klaar, Het spichtig gras
Sonnetten – VI San Sebastiaan
Niet, dat men lijf en leden schond, Met pijlen trillende van woede, Maakt hem zoo glanzend en zoo moede, Maar dat men dood gelijk een hond Liet snuffen aan zijn langzaam bloeden En grommend kruipen langs den grond, Wijl men
Sonnetten – V Fra Angelico
Hier was de woning van den armen clerc, Die bovenal Gods zoete Moeder minde, En maakte zich tot speelnoot van den Kinde: Hen malen werd zijn heilig levenswerk. Hij kon de vlammen en de tranen binden, De snelle driften van
Sonnetten – IV Firenze
Wat zijn de heeren hard en hoog geweest, De heerschers in uw dreigende paleizen, Die nog als rotsen uit de branding rijzen: Het laffe en lauw gepeupel van den geest. Maar binnen was elk huis een heiligdom. In schaduw van
Sonnetten – III San Marco
Hier wordt het bidden murmlen en verzuchten, In deze kerk vol geur en wazig licht. Ze is als een koortsdroom en een minnedicht, Zoo liefelijk en zacht en zoo te duchten. Gelijk der zijde glanze’ in kreuk en vouwen Tezamen
Sonnetten – II Lionardo
Sonnet II uit de Italiëcyclus (I t/m XII) Mijn ziel gruwt van het dubbelzinnig lachen, O Lionardo, dat gij zoo bemint: Een mengeling van zonneschijn en wind, Een faun die tussen englen staat te prachen. In geestesdiepten, krochten van gevoel,