Sonnet I uit de Italiëcyclus (I t/m XII) Wat kent mijn hart van u dan enkle steden, Een landschap, een flard lucht, van hitte teêr, En overal: het aanschijn van den Heer, Zooals uw vroomste zonen Hem beleden! En langzaam
Auteur: Helma
Tu es Deus absconditus
Avond in Rome Dien ik in alle dingen Als glans en schijn vermoed, Die tot mijn hart komt dringen In koude en in gloed, Laat mij U zóó gevoelen Als t driftige verzoelen En luwen van het bloed. Wanneer Gij
De primitieven
Uw dienaars, Heer, de primitieve meesters, Stonden door Uwe minne zóó in gloed, Als in de vroege lente meidoornheesters, Wier stugge hout zich blank verbloeien moet. Wie kan hun reine kleuren wedervinden? Wie heeft als zij zoo kuische lijn gezet?
Sonnet: Zij ging zoo rustig door de jaargetijden
Zij ging zoo rustig door de jaargetijden Des levens, of het altijd winter was En avond, en zij bij het haardvuur las Van eigen leed, dat andren moesten lijden. Zij werkte zonder weerzin of verblijden: Boende het huis en zeemde
De thuisgeblevene
Goddank, dat ik de deur gesloten houd! Nu kan mijn broeder niet meer binnensluipen. Ik haat zijn stil aan vaders voeten kruipen, Want mij behoort de schat van liefde en goud. Hij dronk de vreugd; laat hem ’t verdriet nu
Terug
Het was al avond, toen hij ’t huis genaakte, Een lauwe geur van vee dreef uit de stal, En heerste over ’t parfum van zijn verval; En was de essence van wat hij verzaakte, Dit: wat het leven klaar en
De moeder
Zij zit en wacht en staart in ’t vuur En ziet haar zoon al komen. Zij weet den dag en voelt het uur, En – heeft hem aangenomen. Nog is ’t geen tijd voor rouw en reis. Eerst moet de
Laat Pinksteren
Wij zeiden: morgen zomerweder En beidden U, o Geest van vuur. Gij druppeldet als regen neder En laafdet harten en natuur. Door uw bestel is ’t zaad ontsproten, ’t Is opgewassen door uw kracht. Het is in bloeien uitgeschoten. De
Stefanus
Toen zij hem sleurden voor den hoogen raad En raasden, dat hij niet meer leven zoude, Was ’t, of zijn wezen uit hun handen dauwde En werd een nevel, waar de dageraad Gulden in gloorde, en vlammend als de gouden
Jezus weende
Wij weten ’t, Heer, Gij hebt geschreid, Toen Gij den welbeminden In ’t graf moest vinden, Vuns van verderflijkheid. O, toen Gij bij den ingang stond Der groeve en men de deuren Wegwenteldel een geuren Van dood rees uit den