Samuël

Hij zag den priester niet; alleen de stralen Van goud en fonkelsteenen, die een stroom Van bonte kleuren stuwden naar zijn schroom. Hij liet zijn blikken naar beneden dwalen En frommelde aan het heet geworden toom Van ’t geitje, en

Hanna

Hij voelde van haar voeten het geruisch Voorbij zich glijden, en een vreemde kilte Woei aan zijn hart, tot hij de late stilte Weer hoorde wandelen door ’s Heeren huis. Toen prikkelde hem mompelend gedruisch Van bidden, snikken, en of