Hij was, verbolgen, schooner dan het beeld Der ijdelheid waarvoor de scharen bogen. Hij brandde ’t netvlies der onwillige oogen, En om hem scheen de wereld vreemd vergeeld. En toen zij weigerden de stugge knie Op ’t vleiend nooden der
Auteur: Helma
Nebucadnezar
Maar als zij staarden naar zijn mond, Welks lippen in den baard bewogen, Een bloedvlek op een gouden grond, Gleed er een rood floers voor hun oogen, En zagen zij hem als idool: Onder den blauwen kap der haren De
Jeremia I-IIII
I Hij had met wee het heilig huis vervuld, En toen zijn vloeken volk en priesters bande, Bewogen de englen langs de gouden wanden, Bleek in hun bleeke vleugelen gehuld, En weken langzaam uit ’t berookt verguld. De bloemen zonken
Elia in de woestijn
Zij hadden hun geschonden hals gerekt, De gieren, die naar versche lijken speurden, ’t Was, of zijn veege ziel hen tegen geurde, Toen hij in ’t heete zand lag uitgestrekt. Hij zag hun geile klauwen en ’t bevlekt Gevedert, dat
De door Elia opgewekte jongen
Ik weet niet waar ik was, ‘k voelde een bevel Om neertedalen en ik werd gevangen. Ik bleef in koud besloten ruimte hangen, Die levend werd, toen sprong bloeds warme wel En ’t hart ontwaakte en er begon bewegen En
Jerobeams vrouw
Zij hulde zich in armlijk linnen kleed En droeg, onhandig, ’t aarden kruikje honing, Maar hare schreden héérschten in zijn woning; Toen kende hij de koningin, en leed, Want hij begreep. . . . En stil wierp hij de vleet
David spelende voor Saoel
Hij zag de bruine handen, die zoo zeker De snaren lieten dreunen naar hun wil. En somtijds greep hij naar den grooten beker En dronk zijn woede in lange teugen stil. Dan zonk hij in een slap en moe berusten,
Samuël
Hij zag den priester niet; alleen de stralen Van goud en fonkelsteenen, die een stroom Van bonte kleuren stuwden naar zijn schroom. Hij liet zijn blikken naar beneden dwalen En frommelde aan het heet geworden toom Van ’t geitje, en
Hanna
Hij voelde van haar voeten het geruisch Voorbij zich glijden, en een vreemde kilte Woei aan zijn hart, tot hij de late stilte Weer hoorde wandelen door ’s Heeren huis. Toen prikkelde hem mompelend gedruisch Van bidden, snikken, en of
De moeder van Sisera
Hing zij niet als een triestige lantaren Over de balustrade van het raam, Flakkerend naar t gewoel der legerscharen En naar de sombre glorie van zijn naam? Dan wenkte zij de wijste harer vrouwen En vroeg: komt daar zijn felle