Zij hurkte in ’t zand, en als een bruine lap, In schrale schaduw der jeneverstruiken Achteloos neergeworpen, heet en slap, Steunde haar jongen bij de leege kruiken. Dan stond ze, en snoof, of zij niet als een dier Het water
Auteur: Helma
Erkenning
Er is geen leed, er zijn geen tranen meer. ’t Is al door Uwe liefdebrand verslonden.. De dood is als een schaûw voor u verzwonden. Wij zien slechts licht, wij zien alleen de Heer!
Thomas
Hij kwam door de gesloten deur En hief zijn wonde hand naar mij. En bracht mijn vinger tot de scheur, Die ademde in Zijn zij. Een vreemde lauwe zwakte sloeg Mij neder, ‘k wankelde op mijn knie, En stamelde: Heer,
De Emmaüsgangers
Nòg speuren wij ’t nieuw vreugdgevoel, Dat heet en koel Ons overrompelde op den tocht, Toen Hij ons had bezocht. Hij heeft ons ongeloof gekrenkt, De ziel gezengd En drong zoo zacht als windgesuis Met ons in huis. Toen Hij
Paaschavond
Ik heb Hem heel den dag gewacht, En tot mijn pooplend hart gezeid: Verdubbel uwe lijdzaamheid, Hij komt wel vóór den nacht. ’t Is avond en de speelsche wind Schudt aan de rinkelende deur En zucht zijn naam door kier
Paaschmorgen
Hij was het graf al uitgegaan Vóór ik Zijn dood bezoeken kon. Een zwarte leegte in de zon Gaapt de spelonk mij aan. O wát hoopte in mijn verdriet, Hij kwam mijn ongeduld nog vóór. Maar, Dien ik door den
Goede Vrijdag-nacht
In lichten wit-verwaanden nacht Heft donker zich de heuvel op. Ontledigd op den ronden top Houdt ’t kruis bij leege schaduw wacht. Ontzaggelijk door ruimte en tijd Glanst doelloos schoon de doode maan En glimt de ruwe balken aan En
Goede Vrijdag I, II
I God, heftiglijk in toorn ontstoken, Heeft alle zonden, ooit gedaan, Vandaag uw schoudren opgelaân, En onze schuld aan U gewroken. Hij, in zijn gramschap weggedoken, Weigert uw jammer ga te slaan. Hij dooft de zon en bluscht de maan,
Ecce Homo
Zij ploegden uw gerekten rug En teisterden de murwe lendnen. Och God, zal dit torment nooit enden? Zal nooit de hoofdman, met zijn stug Gelaat, ’t gezwiep der zweepen keeren? Zien zij dan niet, dat zij verwoed Staan in den
Herodes
Hij liet de sombre geilheid zijner oogen Vaag schemeren, de man belust op bloed, En onverschillig hoorde hij “t verwoed Getier der Joden, maar zijn blikken vlogen Den schamelen Gevangne te gemoet En ’t was of zij Zijn heilig leven