Zijn honingverwig haar valt zacht Tot aan zijn raadslige oogen neêr. Ze schijnen donker, groot en teêr In ’t roomig aanzicht, als hij lacht. Hij lijkt een prinsje uit oud geslacht, Maar mist de hooge lustloosheid, Die hun verheven wezen
Categorie: De overgave
Drie jongensportretten – III
Een beeldje uit geel ivoor gesneden, Zoo fijn van vorm, zoo strak van lijn, Zoo warm van toets, in stillen schijn Van ingekeerdheid en gebeden. Klare oogen in dit zeer tevreden Knapengezicht als lampen zijn, Die stralen over ’t innig
Het hofken
Mijn God, geef mij de zekerheid, Dat ons Uw hemel openstaat; Dat ’t schemeren van Uw gelaat Reeds over onze hoofden glijdt. En maak de schemering tot licht En tint de luchten rozerood. We ontberen, smartlijker dan brood, Den glimlach
De overgave
Ik kan Uw wil niet meer weerstreven. Ik kan Uw et niet meer weerstaan. Ik moet mij aan U overgeven, Want Gij zijt nergens meer te ontgaan. Hier, neem mijn handen; klink de boeien Zorgvuldig met de bouten vast. Mijn
Najaar
Dit laat getij heeft ijler pracht gevonden Dan vlammende oogen en ’t hartstochtlijk rood Van blozingen, die den verkoren nood Der kinderlijke zielen schoon verkonden. Het is de herfst; ’t begeeren onzer monden Schikt zich gelaten en vermoeid ten dood.
Geestelijk lied
Die eenmaal hem beminnen mocht, Moet hem altijd beminnen. En die hem zeer te vinden zocht, Als eenen kleinen kinde, Dien neemt hij liefdrijk bij de hand En leidt hem naar zijn land. Die eenmaal in zijn dienst wou gaan
Aandachtig gedicht
Wanneer ik tot u bidden wil, Dan moet de wereld om mij stil En ook mijn hart moet stille wezen. Want in een zwijgen daalt gij neer, En door de windelooze sfeer Komt mijn gebed tot u gerezen. En zelfs
De ziel zegt:
Kom mijn ellendigheid te hulp In deze schaamle leemen stulp. Ik staar uit ’t duister naar het licht Van uw verblindend aangezicht. Hoor ik uw stap nabij de deur, Ruik ik uw zoeten nardusgeur, Zie ik uw glimlach, als een
Drie jongensportretten – I
Hij stond te zingen in het kleine koor Zoo rustig, of hij thuis voor moeder zong. Zijn stem, die niet om gunst of gaven dong, Drong helder in de donkre harten door. Hij wist niet wat er wentelde en wrong
Gij en ik tezamen
Gij en ik tezamen, behoeven wij nog meer: Schat van goud of zilver, rijkdom van werelds eer? Is niet gewin en weelde en aller- landen goed Minder dan onze armoe en ons genieten zoet? Handen van schatten ledig, is wel