Het is een blijde dag: het wit Der sneeuw is door geen voet gekrookt. De zonneschijn is zuiver goud. De luchten staan van kristallijn. De wind, die door de boomen strookt, Rooft heel hun schat van tintlend rijm. En als
Categorie: De overgave
Sonnetten – VII Nu heeft hij aan doods koele peel
Beatus ille Nu heeft hij aan doods koele peel Zijn blonde hoofd zoo moe gevlijd. En daar is geen die om hem schreit, Noch om zijn vroegverloren deel. Over de zoet geloken scheel Zons gulden goedertierenheid, Over de handen benedeid
Sonnetten – VI O neem en drink den doodelijken drank
non dolet O neem en drink den doodelijke drank! Hij zal uw zoete mond niet bitter maken. Eén helle schrik uw armelijke haken Gaat over in een leven licht en blank. Nóg zijn uw oogen van ontberen krank, Nóg
Lees meer Sonnetten – VI O neem en drink den doodelijken drank
Sonnetten – V Ook deze liefde zal wel sterven
Ook deze liefde zal wel sterven, Gelijk op aarde alles sterft, Tusschen verliezen en verwerven Is slechts verlangen, dat verderft: (Dàn heeft ons al hoop begeven, Bezinnen wij ons op den dood; Dàn bot en bloeit het ijle leven, En
Sonnetten – IV Kunt gij zelfs in slaaps welig dal
Kunt gij zelfs in slaaps welig dal Het leven niet vergeten? Als ik naar u verlangen zal, Zult gij het weten? Zal aan den hemel van uw droom Een ijle wolk verrijzen, Die uitvloeit tot een dichte doom Vochtig en
Sonnetten – III Begeeren geeft geen troost, en het ontfangen
Begeeren geefteen troost, en het ontfangen Bereidt ons hart slechts dieper droefenis. Wij hebben meer dan ons behoeven is, En toch verziekt ons harte van verlangen. Het telt en cijfert aan den hoogen som Van winsten en verlies langs werelds
Lees meer Sonnetten – III Begeeren geeft geen troost, en het ontfangen
Sonnetten – II Mij is de schat van duizend kinderharten
Mij is de schat van duizend kinderharten, Mij is de jonge toegenegenheid Van oogen, iedren morgen nieuw verblijd, Hun luide vreugde, die elk leed durft tarten. Elk lachje dat er in hun oogen rijst, Schenken zij gul en gaarne weg
Lees meer Sonnetten – II Mij is de schat van duizend kinderharten
Sonnetten – I Wat geeft uw late toegenegenheid !
Wat geeft uw late toegenegenheid! Niets is zoo bitter dan dit medelijden, Ik moet de dagen van uw haat benijden Boven de liefde van dees laten tijd. Nu noemt uw stem mij bevend: welbemind! En sidderend is ’t streelen uwer
Voorjaar
In de heemlen is de lente ontloken. De avondlucht is teeder grijs en rood. En de sterren zijn tot troost ontstoken Boven aardes hopeloozen nood. Maar de lente kan niet nederdalen. Tusschen hier en ginder gaapt de nacht. Onzedonkere armoe
De hemelroze
De bleeke lucht is vol van zilvren licht, Op aarde heerscht een veege schemering, Rondom de luchter van uw jong gezicht Verbeeft een blijde gulden wemeling : Een lach, een oogenglans, die zich verijlt, Slechts even tegen ’t domlend duister