Liefde, is er geen ander pad, Dan door leed tot u te komen? Hebt gij nooit een hart tot u genomen, Dat zijn bitterheid nog niet geleden had? Moet een elk de vuren vlam Uwer heilgenade zengen? Kunt gij die
Categorie: Gestalten en Stemmingen
Zij, die zoo licht de wereld lieten
Zij, die zoo licht de wereld lieten, Gehoorzaam naar uw stad te gaan, Kennen haar vreugden noch verdrieten, Noch de bekoring van haar waan. Zij gingen, blijde schuldeloozen, Glansoogend langs haar lokken heen. Hun argeloosheid zag geen boozen, Zi zagen
De stervende jongen
Met glinstrend oog, als ging hij naar een feest, Lag hij dien ‘laatsten dag de kamer rond te staren. Slechts even was zijn denken droef geweest, Om de eenzaamheid van hen, die gaarne met hem waren. Zoo ging hij tot
De edelknaap
Hij is te jong en teêr om drang of drift te kennen, Zij oogen zijn nog pril, zijn mond is zoet en zacht. Zijn kleine hand kan, fier, zijn paardje mennen, Te toomen ’s levens ros, mist hij de stoere
De jonger I
Wie kan Hem meer dan ik beminnen, Die enkel van Zijn liefde leef! Hij doet mij al Zijn rijkdom winnen, Schoon ik Hem weinig wedergeef. Hij heeft mij tot Zijn zoon genomen, Toen ik verloren doolde. ,,Kom!” Toen ik zijn
De jonger II
Toen ik mijn zonde wou verheelen, Werden Zijn oogen droef en stil. Wel bleef Zijn hand mijn lokken streelen, Maar Zijne vingren waren kil. En Zijn ontroerde stem ging fluistren Naar mijn gebogen hoofd, als wind, Die ons omdwaalt bij
De rijke dwaas
Van vreugden is mijn ziel verzaad, Door kommer werd mijn hart verzeerd. Die rijke schat van goed en kwaad Hoe wordt hij opgeteerd? Het leven vraagt slechts luttel deel Van mijn bezit tot zijn behoef. Wat doe ik met het
De vagebond
De dagen zijn te lang, en krap mij toegemeten De doove rust des slaaps, van dalend licht tot licht Zoo spoedig kan ik niet verdroomen en vergeten. ‘k Ontwaak, een zieken gloed op ’t beenig aangezicht. En elken dag, als
De zwerver
Wat ben ik ver gegaan, wat heb ik véél gezworven, Mij heugt niet meer ’t begin noch ’t doel van dezen tocht. En ‘k hunker (die ik min, zijn reeds voorlang gestorven) Naar de benauwenis der laatste ademtocht. Doch eiken
De Arabier
Uw oogen hebben heel den weemoed der woestijnen Wier weemlende eenzaamheid maar weinig vreugde voedt, De felle flikkering van vlijmend zonneschijnen, De bitse beet van zand, dat laait in lichten gloed. Zooals de zandzee kent geen rimpeling noch deinen Tot,