Voor Viool Morgen Hebt gij niet het eerste onzeekre Veêlen van den jongen wind gehoord? Klanken broos en reê te breken, Als het week en dringend smeeken Van een teêr en aarzlend liefdewoord? En de onmeetelijke bleeke Hemelen staan sidderend
Categorie: Gestalten en Stemmingen
Eenzamen
Is er een nood, die meerder nijpen kan dan deze: In liefde lusthof zijn een eenzaam man En een bevreesde? En mogen niet de martelende pijn Aan andren toonen, Maar moeten trotsch van hart en hoog van oogen zijn, Als
Een dag III/IV
Avond Lief, de regen is geweken, En de wilde winden zijn voorbijgegaan. Uit de bleeke westerstreken Zweeft de streeling van den avond aan. En de onmeetlijk veege heemlen bleeken. Nergens is een ster verrezen, Maar de glansen van de zon
Een dag IV/IV
Nacht Lief, de roode rozen doven Nu het duister van den nacht begint, En de zilvren luister van de hoven Zweeft gelijk een neveling naar boven. En de sterren rijzen en heel de aard ligt blind. In den donkren vreê
Ontwaken
Nog slaapt dit gezicht, zoo zacht en broos, En weet niet, dat ‘k aandachtig sta gebogen Over de wondren der gesloten oogen. De wimpers trillen zoetjes en eenpoos Gaan ze gestadig, zonder wil bewogen, Of de oogen zagen door de
Passing Flirtation
Kom nu, kom nu, De tijd is vol. Daar zal geen uur meer komen, Dat van de bloei van dag en nacht Late avond zulk een gave pracht Heeft saamgenomen. Nu, in dit schaduwloze licht, Laat uw gezicht Glimlachend naar
Verbeiden
Ik weet, dat gij niet komen zult, En wacht tóch op uw komen. En mijn verbeidend ongeduld Waakt nog in diepste droomen. Ik lig en slaap, en, onbewust Hoor ik op elk geruchten En beef vervaard naar de ijdlen lust
Avondliedje
’t Is de schemer, en uw zachte Glimlach is mij dicht nabij. Ziels verzichtbaarde gedachte Weerlicht tusschen u en mij. In de heemlen uwer oogen Spieglen sidderend zijn snelle bogen. In een Huistrend ommezweven Wijlt uw adem om mijn hoofd.
Liedje
Heb ik niet op u gewacht? Toen in bleeke vochtverzade Hemel rees een zweem van blauw, En de morgenster stond flauw Boven aardes nevelwade, Taalde ik naar uw stralende genade, Als naar de zon de doosche gouw. Heb ik niet
Liedje
Ik droomde, dat uw hart mij riep En, nauwelijks vernomen, IJlde ik nabij te komen Tot waar gij laagt en sliep. Ik zocht u, en ik vond u diep In eenen groenend ale. De maan in loovren zale Siddrende schaduws