Een dag I/IV

Voor Viool Morgen Hebt gij niet het eerste onzeekre Veêlen van den jongen wind gehoord? Klanken broos en reê te breken, Als het week en dringend smeeken Van een teêr en aarzlend liefdewoord? En de onmeetelijke bleeke Hemelen staan sidderend

Eenzamen

Is er een nood, die meerder nijpen kan dan deze: In liefde lusthof zijn een eenzaam man En een bevreesde? En mogen niet de martelende pijn Aan andren toonen, Maar moeten trotsch van hart en hoog van oogen zijn, Als

Ontwaken

Nog slaapt dit gezicht, zoo zacht en broos, En weet niet, dat ‘k aandachtig sta gebogen Over de wondren der gesloten oogen. De wimpers trillen zoetjes en eenpoos Gaan ze gestadig, zonder wil bewogen, Of de oogen zagen door de

Verbeiden

Ik weet, dat gij niet komen zult,     En wacht tóch op uw komen. En mijn verbeidend ongeduld     Waakt nog in diepste droomen. Ik lig en slaap, en, onbewust     Hoor ik op elk geruchten En beef vervaard naar de ijdlen lust

Avondliedje

’t Is de schemer, en uw zachte Glimlach is mij dicht nabij. Ziels verzichtbaarde gedachte Weerlicht tusschen u en mij. In de heemlen uwer oogen Spieglen sidderend zijn snelle bogen. In een Huistrend ommezweven Wijlt uw adem om mijn hoofd.

Liedje

Heb ik niet op u gewacht? Toen in bleeke vochtverzade Hemel rees een zweem van blauw, En de morgenster stond flauw Boven aardes nevelwade, Taalde ik naar uw stralende genade, Als naar de zon de doosche gouw. Heb ik niet

Liedje

Ik droomde, dat uw hart mij riep En, nauwelijks vernomen, IJlde ik nabij te komen Tot waar gij laagt en sliep. Ik zocht u, en ik vond u diep In eenen groenend ale. De maan in loovren zale Siddrende schaduws