Toen zag de koning hoe zijn bruine handen Ruischend de tonen grepen uit de de snaren Alsof er blonde bussels korenaren Voor zichten zwichtten op de heete landen Daar boven hing, een rosse zon, te branden Zijn blozend hoofd met
Categorie: Gestalten en Stemmingen
De verloren zoon
Bitt’rer dan alle ellende,is dit herwonnen deel:Weer thuis te mogen slapenop lang verlaten peel, En liggen lamgeslagen en woelen rustvermoeiend,Totdat ’t lavendelgeurigverkoelend linnen gloeit. En mijn ontstoken oogenzien, starende in den nacht,Waar ik mij wende of keere,daar ’t honend op
De Gids
Gij roept, en wij verlaten Ons huis en volk en land, En gaan, ter steile strate, Naar zaalger overkant. Gij duidt ons, onder ’t stijgen, Te dulden, sterk en waar, En doet ons gramme zwijgen Verzachten wonderbaar. Gij voert langs
De jonge herder
Zijn jonge leden loom in ’t hooge gras gelegen, Staart hij den hemel toe, een glimlach om den mond, Terwijl zijn rechterhand, in onbewust bewegen, De kroeze haren streelt des ruigen herdershond. Die, immer waaksch gezel, richt zich, met nijdig
De ring
Van haren dunnen vinger schoof zij den smallen ring. Over haar mond en oogen kwam een verteedering. Alsof zij hem aanschouwde, zoo bloosde zij in ’t licht. En al haar doen was liefde, en liefde haar gezicht. Zij liet het
Op den toren
Ik sta gebogen over ’t ijzren hek, Dat slank en koel zich om den top-trans windt En door gesloten-openheid de wind Laat waaien tot in ’t duister luidvertrek. En nu de klaren koopren klepel klept, Roept wind, als immer reede
Jongensportret
Een jong gezicht met teedre schaduwing Onder zijn oogen, als van een die lijdt Maar niet bedroefd is. En de zalheid Dier oogen zelve als begenadiging Voor hen die wachten in deemoedigheid. Plotseling daags ons, en onvoorbereid, Een lichte goudene
In den tuin
Wij zoeken allen naar een hof der hoven, Waar eenmaal onze onrust stil zal zijn, Wij weten slechts van scháuw en zonneschijn, Die wisslen onder waaierende boven. Wanneer men vlucht de ontroeringen van ’t leven, En, daad en droom en
Donkere middag
Wordt het avend, gaat het dagen? Deze grijze schemering Doet ’t begrip van tijd vervagen, Dooft den luister van elk ding. Koele wazen, als in morgen Voor het pril gerezen licht, Houden alles half verborgen: Maagdelijk lijkt elk gezicht. Doch
Aandachtig gedicht
De ziel zegt: Ik heb alleenlijk dit begeerd, Dat ik, na alle lust en leed, In vlekkeloos en blinkend kleed Mocht gaan, van u geëerd. Nu zit ik stil en peins en beid. Achter der oogen dunne ruit Zie ik