O peer, o gulden flessche Vol sap, versneeuwde gloed, Doorhonigd moes van bessen, Schuim van jong druivenbloed. O koelgestelde spijze! Hoe noem ik wat ik proef, Uw smaak, uw geur? En wijze Nog nagenietend prijze? Eenzaam geluk, dat lijze Zwaar
Tag: gedicht aanwezig
Roode cyclamen I
Wat zeggen afkomst ons en namen? Is een goed hart niet goed genoeg? De bloedsdwang bindt weldadig samen De velen, die één Ieven droeg. De kleinen streven naast de grooten. EIk heeft zijn deel aan llcht en Iucht. Zij hulden
Roode cyclamen II
Uw donkerroode vanen Vervoeren ons als wijn. O Heer van bloed en tranen, Onze moed is klein. Uw pureren oriflammen Tegen duivel en dood Zijn tusschen ons als stammen Van vuur, zoo fel en groot. Wij staan nog blind te
De visscher
O wemelende moederschoot, Vruchtwater, waarin God besloot In den beginne al wat sliep En wakker werd toen Hij het riep; O zware zwalpende oceaan, Omwentlend worden en vergaan, Muil waar de wereld aan ontglipt En telkens weer in binnen slipt.
Motto – oud minneliedje
Elisabeth Barrett aan Robert Browning Ik heb u lief van hoofd tot voeten, Zoete, zoete! Ach, dat wij scheiden moeten. Scheiden maakt mij den hemel rijk. Hoe doe ik boete?: ‘k Blijf liever bij u in dit aardsche rijk. ———-
Onder liefdes heerschappij
Liefde kent geen barmhartigheid. Zij twist met ons om ’t daaglijksch brood. Zij is het die ons rauw verstoot En op de markt kastijdt. Zij heerscht verbeten als de dood. Wien zij gevangen heeft geleid, Wordt enkel tot het graf
Liefdes regiment
Liefde verdrukt in eenzaamheid De zeer heldhaftigen van geest. De heiligsten bekoort zij ’t meest Door haar gekwetste majesteit. Hoogen en lagen altezaâm, Zij ondergraaft hun eer en huis. Zij nagelt naakt hen aan het kruis En maakt een scheldwoord
Onweder
Het dondert, en Gods vuur slaat in. Nu is mijn hart voorgoed gezengd. Geen regen die verkwikking brengt Aan dit dor land, uw strenge min Heeft het verheffend gekastijd. Harts hoogland werd zoo dood en schoon Dat het alléén de
De engel
Ik riep hem, en mijn engel kwam. Hij had op mijn geroep gewacht. Hij stond gereed, en hij volbracht ’t Bevel dat hij van God vernam: ‘Weer af, vaI aan, àl wat er schaadt En ’t zingen dezer ziel verwart.
De adelaar
O wonder uit den ouden tijd! De adelaar, vorst van lucht en land, Werd duif, die zaad pikt uit de hand En in een kooi zijn dagen slijt. Maar aIs zijn lot mijn liefde ontroert, Bedekt mij plots zijn breede