De nacht grenst aan de dag, en aarde aan de hemel. Er is geen scheidslijn tussen deze twee. Geen niemandsland bevindt zich tussen beide Waarin wij ons neutraal bezinnen kunnen En ons toekomstig woonoord vrij verkiezen. Hier zijn wij, en
Tag: gedicht aanwezig
Psalm CXXXI
O Heer, ik draag mijn hart niet hoog, Ik zie niet trotsch in ’t rond. Ik buig mijn hoofd te grond, Deemoedig voor uw alziend oog. Ik heb geen plannen overdacht, Die botsen met uw wil. Ik ben tevreden stil,
De zieke
Hij verwelkt tusschen raam en deur In een klein vertrek. Hij geniet van bloemengeur En flarden gesprek. Hij praat gemoedelijk over den dood. Niets dat hem hindert of verschrok. Zijn wangen krijgen een vleugje rood Bij ’t slaan der klok.
Christophorus
Christophorus had van ’s morgens vier Tot ’s avonds zeven als een lastdier Door de gezwollen rivier gewaad. Nu wou hij rusten en eten; maar kwaad Bedacht hij, er was geen brood in de kast En nú nog naar ’t
Vitellus
Waar is Vitellus, de wafelverkooper? Waar is Vitellus, die snelle looper? Hij danste als hij liep, en hij stond op één voet, Zijn wafels waren zoo warm en zoet. De keizer kocht, en de gladiatoren, En de keizerin heeft van
Klaagavond
Bestuifd staan de cypressen in den hof. De wachters zijn te loom hun lans te dragen. De luie duiven kirren niet, maar klagen, Amechtig sleept een pauw zich door het stof. De koning zit in zijn berooiden staat Te midden
De zalving
Hun oogen laaiden als een vlam, Toen zij de feestzaal binnenkwam. En, een geknakte roos, zoo teer, Zeeg aan de voeten van den Heer. Is dit de vroolijke vorstin, De meesteresse van de min, Die in een vuil verscheurd habijt
De noodhelper
Hij was onaanzienlijk als het koren, Een zwak gewas, van voedsel zwaar. Er langs gaand kon men ruischen hooren De krachtstroom van de Alzegenaar. Er was geen aarzeling, geen seconde Afwering als zijn wil hen brak, En, stalen sleepnet langs
Belijdenis
Zij zeide: O bitterheid van God verwachten, Als ons verlangen en berouw, Niets bij ons vindt dan kwade trouw En zelfbeklaging en verachten; En nooit geen liefde en nieuwe hoop, En geen geloof en goede werken Voortbrengt; maar enkel koude
Gesprek
Er was geen nood, er was geen zonde, Die ik niet aan u zeggen konde. En alle zorg en alle wee Verzonk in uwer liefde zee. Gij had geen woorden en gebaren, Het licht, dat fonkelde in uw haren, De