Regenavond

In dezen nacht zal God ons zegenen. De hemelen zijn een wit vervloeien. Al het geschapene moet bloeien Want God laat leven nederregenen. Onze begeerten moeten wijken Voor dit almachtig stil genereeren. Het is de wil en wet des Heeren

De keizerin

Des morgens, soms wel urenlang, Speelt ze in het spoelend waterbad. Dan, met een balsemgeurig blad, Wrijft men haar zacht; een gouden tang Rukt vinnig haartjes uit de huid; De pijn wordt weggezalfd, men spuit Welriekende olie door heur haren

Slapenden

Wanneer het lichaam slapend ligt, – O ziel, gij hebt het toegesloten, – Hoe wonderlijk is het gezicht Van de beminden en genooten. Is dit de vrouw, is dit de vriend, Wier bijzijn wij zooeven zochten, Prezen, of krenkten onverdiend?