In dezen nacht zal God ons zegenen. De hemelen zijn een wit vervloeien. Al het geschapene moet bloeien Want God laat leven nederregenen. Onze begeerten moeten wijken Voor dit almachtig stil genereeren. Het is de wil en wet des Heeren
Tag: gedicht aanwezig
Offers des Heeren
Nog rooken als beschreven in Uw boek, De altaren; Heer! men hangt ons tot een vloek In de eigen deur; handen en voeten spijkren Zij aan den wand en huisbelomrende eiken. De leden uitgerekt en stuk gebroken Heeft men ons
San Sebastiaan
Dit is uw schoonste jachtvermaak. De prooi moet op den jager wachten, En met zijn oog op de bonte schachten Volgen, en hopen dat hij raak. Nergens vond gij een beter wit, Dan dit tengere trillende lijf. Zij mikken speels
De keizerin
Des morgens, soms wel urenlang, Speelt ze in het spoelend waterbad. Dan, met een balsemgeurig blad, Wrijft men haar zacht; een gouden tang Rukt vinnig haartjes uit de huid; De pijn wordt weggezalfd, men spuit Welriekende olie door heur haren
De vaandrig
Hij staat zoo rustig onder ’t veel omstreden Vaandel, dat met zijn zijden wuiven ’t gram Gemoed der manschap in vervoering nam En glanzend woei door vloeken en gebeden En werd onsterf lijk … ter victorie kwam Hij plotsling uit
De pottenbakker
Hij vormde een kom, en hij verhoogde De ronde randen, en een buik Boog zich naar boven, en hij boogde Haar buigen in, en zag de kruik Slankhalzig en met edel welven Van lippen, en haar schoone mond Was lachende;
De dood in Venetië
Jer. 9:21a Wij hebben goed met hem gevaren. Achter en boven ons geleund, Heeft hij gezongen en gekreund, En scheen over ons weg te staren. Ons, laag gezonken in den zetel, Omving vervoerend zwart damast, En onze levens lagen vast
Telkens opnieuw
Hij zag niet, en hij overrekende Den afgrond niet, die denken scheidt van daad; Maar wist: tusschen twee steunpunten ontstaat Toenadering: een boog! en teekende. Over en door den inslag van de lijn Schoot bliksemvlammende zijn snelle geest, En sloeg
De zeevaarder
’t Is wreed, dat wij voor hen die achterbleven Als dood zijn, maar soms droomen zij van ons: Zoo licht als zaadpluis tot hen neer te zweven En hen beroerend als een kiekendons, Zoo zacht … en zoo verschrikkend, dat
Slapenden
Wanneer het lichaam slapend ligt, – O ziel, gij hebt het toegesloten, – Hoe wonderlijk is het gezicht Van de beminden en genooten. Is dit de vrouw, is dit de vriend, Wier bijzijn wij zooeven zochten, Prezen, of krenkten onverdiend?