Zij is zoo vol smachten en beminnen, Dat men haar blauwseloogen niet durft zien. Zij is ’t van ’t lange liggen gele linnen, Het ruikt naar rozen en iets muf misschien. Zij lacht onrustig, spreekt een beetje teemend, Men weet
Tag: gedicht aanwezig
De oude jongeman
Hij weet t niet, maar is een der onbegeerden, die egoïstisch worden en jaloers. Ze suggereren dat hen niets ontbeerde, en zijn verlegen, links, en lichtelijk boers. Hij stopt zich vol met kool en wienerschnitzel, en drinkt zijn kop niet
De baker
Er is iets zonderlings in haar verschijnen, Iets buitenwereldsch en iets ouderwetsch, Ze heeft zich opgedirkt en blijft toch flets Binnen den vasten bouw der buitenlijnen. Wij gaan in haar vaag groen gehouden oogen Als in ’t pissoirtje bij een
De jonge broeder
Temiddenv an de broederen stond hij. Men kon hem haast niet onderkennen Van de anderen, want zijn gelaat en pij Was eender; maar soms kwam een rennen In hem en omkijken, alsof een spook Hem achterna zat en deed wankelen.
Koortsdroom
Hij voelde zich gelijk een orgeltoon Die langzaam weggespeeld wordt, de gewelven Moeten hem nog weerkaatsen; dit zichzelven (Niet zijnde) nog te hooren, was zóó schoon, Dit niet-meer-weten, en één oogenblik Het toch bewust te weten, dat ’t verlangen Opwelde,
Operatie
Voorzichtig, zooals men een kostbaar boek Opent, was de verdoofde (laag na lagen Werd omgevouwen, critisch gageslagen) Opengelegd voor het laatst onderzoek. En in hem blikten dwaze en wetende oogen, En zagen wij hij zelf wist noch vermoedde: Hoe wonderlijk
De orgelman
Hij droeg een zwartfluweelen flodderbroek, Wijd openstaand een lichtbont boezeroen, Op zijn goudbruine borst in donkergroen Een tatouëering, een bontzijden doek Slingerde losjes om zijn hals; zijn gaaf Gebrand gezicht hief als een kroon het zwaar- Geonduleerd, het mat geelgouden
De inbreker
‘k Hoor in de tuin door ’t dorre loof een sluipen Voor ’t open venster staat iemand te gluipen. Even een lichtflits, en een jongeman Wipt binnen, maar daar schrik ik niet erg van. ‘k Zie in zijn vage rechterhand
Slaapsteê
Gij waant dat ge in een voddenkelder komt, Waar dingen, die zelfs op de vlooienmarkte Geen waarde hebben, werden saamgeharkt En walmende verrotten en verstomt. Hier staart een oog u aan, een blauw juwewel, Dat, in een bloedigrooden rand
Landelijke zaterdagavond
Alles is vrij, de dingen zijn gaan slapen. Werktuigen, van het zweet der handen nat, Zijn eindelijk weer drooggepoetst en glad. En menschen rekken zich lui uit en gapen. De jongens zwemmen naakt en zonverbrand. De moeders zitten breiend langs