Ik zit in een subliem vertrek,Geraffineerd verzorgd, alleen.Mijn ruwe stoppelbaard verdweenEn uitgeschoren is mijn nek. ‘k Had een diner met koffie na,Uitstekend was de cigaret.Maar toch iets bitters heeft de pretNu ‘k spoedig uit dit leven ga. Het nieuwe hemd
Tag: gedicht aanwezig
Apollon archaïque
Louvre Het rood granietblok stond hoog opgericht In ’t midden van de heete binnenplaats. En in den steen, als in een droomgezicht, Verscheen de jonge scherpte eens gelaats, Dat onverbidlijk zich zijn blik toewendde. Het gladde strakke lichaam scheen bereid
Egyptisch jongensportret
2e eeuw na Christus Hij was een jonge aristocraat. Onder zwaar zwarte wenkbrauwbogen Glansden zijn ronde zwarte oogen In het stille bruin van zijn gelaat. Daarboven: zijn zwart gewagggeld haar Uitloopend in geschaduwd blauwen ’t Voorhoofd versmallend en als flauwe
Egyptisch damesportret
2e eeuw na Christus Is zij de moeder of een oudre zuster Van den jonge die dik en goedig is? Zij is veel spitser en zelfbewuster; Niet dat ze afwerend of hoogmoedig is, Want in haar smal en fraai ovaal
Blinde harpspeler
Egyptische grafschildering Gij, die in het licht zijt, kunt u Kiezen, wat gij wenscht en wilt, Want de gunst van God vergunt u Een begeeren ongestild. Maar in mij is alles eenzaam, Want in deze hooge nacht, Waardoor blauwe bliksems
Het meisje
Egyptische grafschildering Zij is een nauw ontloken lotos, Maar veel hulplozer en droever. Zij is als een smalle boot, los Van de nog nabije oever. Zij is niets dan een kleine leegte In dit boordevol heelal, Want zij smachtte, maar
Doodenklacht
Toen uw paard steigerde, jongeling Dwongen uw sterke dijen Het terug in den draf, de vrije Galop die ten doode ging. Toen het ros den god ontweek, Waart gij het, overmoedige, Die glimlachend keek In de oogen van den bloedige.
De rozelaar
Deze kleine rozelaar, O wat geeft hij zich een moeite Om tot zijnen eersten bloei te Komen, o wat valt het zwaar Deze prachtig perlemoeren Blaadjes, fulpen en ovaal, Uit te vouwen, om te voeren Tot een ronde roode schaal,
De jonge Zeeuw
Hij is een boer, maar hij is mooi. In al zijn jeugdige ouderwetsheid Is er geen zweem van vaag- of fletsheid, Want alles is van t best allooi: Het zwarte pak, de zwarte hoed, Zijn gouden haar en gouden knopen,
Liedje
Dat dit tussen ons kan zijn, Deze liefde (druppel wijn In een glas klaar water glijdend, Zich oplossende verbreidend), Deze suizelend gedempte Fluistrend ademende stem te Horen in gedachte en bloed, Dat is goed.