Hij heeft de dieren en de stille dingen Met sterke aandachtigheid tot zich genomen En lichtend zijn zij weer aan ’t licht gekomen, Wijl zij het lichten van zijn ziel doorgingen. Hij liet zijn teerheid als verhelderingen In oogen stralen,
Tag: gedicht aanwezig
Bruidje van Thijs Maris
Als grijze zijde door het licht Gesleten en gebleekt is deze Verbeelding van een aangezicht, En schaduw van een teeder wezen. Wat rees in droomen zonverguld, Is in vermoeden weggegleden En aarzelt tot den dag te treden In nevelingen ingehuld.
Het Groninger Hoogeland – I Het land
’t Is alles eenvoud wat uw stoerheid sierde, En alledaags bij werelds wufte pronk: Het zwaatlend koren rond de heilge wierden, Uw kolken waar kasteel en kerk in zonk; Temidden graan en bontbebloemde weien, Waar de gelatenheid zichzelf bedroomt, De
Het Groninger Hoogeland – II Het volk
Zij kennen niet de delicate zwier van de gebaren, en het soepel spreken. De woorden die zij uit hun harten breken Zijn luid; hun lachen schuimt als donker bier. Zij werken machtig, wild is hun plezier; Brutaal wordt ieder vreugde
De vlieger
De wereld zonk, de dorpen en de steden, Kleurige vlekken, werden weggewischt. De wereld zonk, een glinstring in den mist, En ook de wolken vielen naar beneden. O blauwe ruimten, wie eens heeft doorleden Uw leegten, schriklijker dan iemand wist,
De harpspeler
Mijn handen wachten op de snaren Tot al Gods rillingen bereid, In hoop dat Hij mij wil doorvaren Als een saisoen van lieflijkheid. Doch vreeselijk is Zijn bewegen. Mijn door de Geest gefolterd bloed, Springt als een lenig roofdier tegen
De moeder
Onze stugge wil ketst af vaders gezag. Als een klimroos hangt moeders mildheid over. Een blik voor ons alleen, een verholen lach, En haar stem als een vogel in avondloover. Slechts moeders liefde blijft een arm hart over Als de
Avondwandeling
Hij zag vervaard de vreemde schemeringen, Het waaien dat de schaduws wakker maakt Om schomlende lantarens, en het naakt Glanzen der ziel in de beschenen dingen. De hekken klapten en er ging een zingen Door ’t riet, dat tot de
Salomo en de koningin van Saba
Zij zag het heerschen van de stilte groot Temidden van de duizend gouden schilden Die duizend soldenieren blinkend tilden En lieten vlammen als het morgenrood. Verheven en verschriklijk als de dood, En zacht als ’t leven dat haar hart doortrilde,
Elia op Horeb
Hij boog zich en rees moede weder, En dacht: God is een wreker heet. En langs zijn natte haren kleed Siste de felle bliksem neder. Nu komt de Heer, dacht hij, en waaide Schier van het kantelende blok. Aan den