Jan Mankes

Hij heeft de dieren en de stille dingen Met sterke aandachtigheid tot zich genomen En lichtend zijn zij weer aan ’t licht gekomen, Wijl zij het lichten van zijn ziel doorgingen. Hij liet zijn teerheid als verhelderingen In oogen stralen,

De vlieger

De wereld zonk, de dorpen en de steden, Kleurige vlekken, werden weggewischt. De wereld zonk, een glinstring in den mist, En ook de wolken vielen naar beneden. O blauwe ruimten, wie eens heeft doorleden Uw leegten, schriklijker dan iemand wist,

De moeder

Onze stugge wil ketst af vaders gezag. Als een klimroos hangt moeders mildheid over. Een blik voor ons alleen, een verholen lach, En haar stem als een vogel in avondloover. Slechts moeders liefde blijft een arm hart over Als de