Revius

’t Was of de Schrift zijn levensloop verhaalde Oorlogen, twisten, vlucht en goeden keer, En zijn hardnekkig ijvren voor den Heer En hoe zijn hartstocht overwon en faalde. Godschenner was Spanjool en kananiet. En in de gramschap van zijn visioenen

Dullaert

Hij was zeer ziek, en wist ’t en kloeg niet veel, Maar greep papier en stift en teekende. En dikwijls vonden zijn welsprekende Vrienden hem starend naar een klein paneel. Jaren geleden was hij deze knaap. Zijn wang werd bleeker

Lodensteyn

Hij was zoo teeder van geweten, dat Hij ’s Heeren avondmaal niet uit wou reiken Toen zwaargetabberd met hooghartig kijken En kwijnend in haar kant, de zonde aanzat. Hij laakte den gewilden vrijen wil Als mommerij voor vuilkeur van regenten.

Jan Luyken

Trillend verrees hij uit den witten dauw. De hanen kraaiden luid en achterdochtig. De koeien in de melkbocht brulden tochtig. Hij zong zijn malsche liedjes voor een vrouw. Plotseling greep de ziekte hem; aschgrauw Van wangen en zijn angstige oogen

Paulus

Men kwelde hem om raad, terwijl hij wrocht. Titus las voor; hij griste in kemelshaar. Zijn geest bezwierf den hemel, en zijn schaar Sloot driftig, wijl hij driftig woorden zocht. Lucas schreef wat hij sprak: ‘gij, duurgekocht, Verslaaft ge u

De herders

Rondom hen werd de wereld wit. God strooit zijn englen neer als rijm. En aarzlend nam hun hart bezit Van ’t simpele geheim. Der eeuwen zwellende ongeduld Ging eindelijk te bloeien aan. God heeft zijn heerlijkheid verhuld En is als