Hij gaat niet meer ontfermend door de straten En predikt niet in danshuis en in kroeg. Hij waarschuwde en Hij noodigde genoeg, En is reeds bezig met ons te verlaten. Meent gij, dat Hij ons honen en verwaten Glimlachen, als
Tag: gedicht aanwezig
Christus’ ommegang in het westen II
Maar werd een eed ook menigmaal geschonden, Wie zich tot God keerde in zijn angst en rouwen, Schoon hij niet in Zijn oogen durfde schouwen, Al stamelend: mijn zonden, o mijn zonden! Heelt altijd weder Zijn gena gevonden. Hij toornt
Revius
’t Was of de Schrift zijn levensloop verhaalde Oorlogen, twisten, vlucht en goeden keer, En zijn hardnekkig ijvren voor den Heer En hoe zijn hartstocht overwon en faalde. Godschenner was Spanjool en kananiet. En in de gramschap van zijn visioenen
Dullaert
Hij was zeer ziek, en wist ’t en kloeg niet veel, Maar greep papier en stift en teekende. En dikwijls vonden zijn welsprekende Vrienden hem starend naar een klein paneel. Jaren geleden was hij deze knaap. Zijn wang werd bleeker
Lodensteyn
Hij was zoo teeder van geweten, dat Hij ’s Heeren avondmaal niet uit wou reiken Toen zwaargetabberd met hooghartig kijken En kwijnend in haar kant, de zonde aanzat. Hij laakte den gewilden vrijen wil Als mommerij voor vuilkeur van regenten.
Jan Luyken
Trillend verrees hij uit den witten dauw. De hanen kraaiden luid en achterdochtig. De koeien in de melkbocht brulden tochtig. Hij zong zijn malsche liedjes voor een vrouw. Plotseling greep de ziekte hem; aschgrauw Van wangen en zijn angstige oogen
Bilderdijk
Hij werd hoogmoedig, want hij was alleen, En zwak, en dong reeds vroeg naar eer en rechten. Spijtig dacht hij aan God en zijn ziek been: Hij had geen kameraad om mee te vechten. Hij las, en leerde talen en
De martelaar
Toen heeft zijn hart, lang door zijn angst belet, Een wraakschreeuw naar den hemel uitgestooten En in Gods ooren donderden de schoten Die deze ziel losbrandde tot ontzet. En God kwam neder; en dit grijs benet Gelaat werd van Zijn
Paulus
Men kwelde hem om raad, terwijl hij wrocht. Titus las voor; hij griste in kemelshaar. Zijn geest bezwierf den hemel, en zijn schaar Sloot driftig, wijl hij driftig woorden zocht. Lucas schreef wat hij sprak: ‘gij, duurgekocht, Verslaaft ge u
De herders
Rondom hen werd de wereld wit. God strooit zijn englen neer als rijm. En aarzlend nam hun hart bezit Van ’t simpele geheim. Der eeuwen zwellende ongeduld Ging eindelijk te bloeien aan. God heeft zijn heerlijkheid verhuld En is als