De eik

God liet mij kiemen en ‘k bezweek En priemde tot het licht, en streek Mijn leven open en bevond: Mijn schaduw schoor den grond. Ik hief mij smeekend tot Gods pracht En dieper boorde ik aardes nacht. En teederder zoog

De linden

Door de gekierde blinden Drijft met het luwtje zoet De geur der goede linden, Die dringt in ziel en bloed. Hun groote schaduwkronen Vol heimelijk geruisch Verlokken om te wonen Die nergens is tehuis. Den zwerver, die zijn voeten, Gevoelloos

De wijnstok

Hoe roept Gij uit mijn dorheid en dommlende ouderdom De ranken vol van leven de drift der jeugd weerom? Bekapt, gekerfd, geschonden, genageld aan den muur, Sloot gij mijn vochte wonden door loutrend hemelvuur. En waar Uw liefde ’t wilde,

Najaar

’t Ooft dat door vurig zonnestreelen Vol zoetigheid gezwollen was, Zinkt van de zwakgedragen stelen En schuilt zijn blos in ’t dauwig gras. De groene bolster berst in ’t zwellen, De gelende kastanjelaar Strooit vruchten, die zichzelven pellen, Ten voeten

De vangst

De netten worden opgehaald. Tot ’t dolboord ligt de bom gevuld. De tanen visschers staan, omhuld Van zilver met smaragd bemaald. Bij deinende ebbe in zachte bank Schuurt stroef de schuit en lost zijn last. De schop schept en schier

Shakespeare

Hij kende ’t schoon beweeg van edelvrouwen, Van koningen en dartel ambachtsvolk; Van minnenden en sluipers met de dolk In drukke stad en vredige landouwen. Bij glans van maan en flakkrende flambouwen, Onder den schijn van zon, in regenwolk, Bij

Ludwig II

Hij was zóó vol van hooge majesteit, Dat hij zijn leven met geen mensch kon deelen, In schonnen waanzin bouwde hij kasteelen, Die hij bewoonde in zuivere eenzaamheid. Daar werd tot helle werklijkheid zijn droom. Blinkend verrezen zijn beminde helden: