Miraculum coeli Wat van het edel kruid In hevigheid ontloken, Nu gij uw tocht besluit, Tot afscheidsgift gebroken? En van uw lippen kwam ‘Laat mij dit mogen nemen.’ Uw hand beroerde en nam De stille chrysanthemen. O wonder, wat gebeurt?
Tag: gedicht aanwezig
De eik
God liet mij kiemen en ‘k bezweek En priemde tot het licht, en streek Mijn leven open en bevond: Mijn schaduw schoor den grond. Ik hief mij smeekend tot Gods pracht En dieper boorde ik aardes nacht. En teederder zoog
De linden
Door de gekierde blinden Drijft met het luwtje zoet De geur der goede linden, Die dringt in ziel en bloed. Hun groote schaduwkronen Vol heimelijk geruisch Verlokken om te wonen Die nergens is tehuis. Den zwerver, die zijn voeten, Gevoelloos
De wijnstok
Hoe roept Gij uit mijn dorheid en dommlende ouderdom De ranken vol van leven de drift der jeugd weerom? Bekapt, gekerfd, geschonden, genageld aan den muur, Sloot gij mijn vochte wonden door loutrend hemelvuur. En waar Uw liefde ’t wilde,
Tijdens onweer
Verheevne, die in vuur en vlam Zoo menigmaal terneder kwam, Op bliksemenden wagen Uw knecht hebt thuis gedragen, Wij zien het hoe de steile wolk Ineenstort tot een dwarrelkolk En opwaarts zweeft in dampen Staat er uw ros te stampen.
Najaar
’t Ooft dat door vurig zonnestreelen Vol zoetigheid gezwollen was, Zinkt van de zwakgedragen stelen En schuilt zijn blos in ’t dauwig gras. De groene bolster berst in ’t zwellen, De gelende kastanjelaar Strooit vruchten, die zichzelven pellen, Ten voeten
De vangst
De netten worden opgehaald. Tot ’t dolboord ligt de bom gevuld. De tanen visschers staan, omhuld Van zilver met smaragd bemaald. Bij deinende ebbe in zachte bank Schuurt stroef de schuit en lost zijn last. De schop schept en schier
Vaas met judaspenning en pauweveeren
Hij keek met innigheid naar ’t zuiver licht Dat milder scheen waar het zacht ging verglijden Over de witte penningen, de zijden Ovalen, die zoo simpel en zoo slicht In stillen deemoed stonden opgericht, En met hun zilveriger glans verblijdden,
Shakespeare
Hij kende ’t schoon beweeg van edelvrouwen, Van koningen en dartel ambachtsvolk; Van minnenden en sluipers met de dolk In drukke stad en vredige landouwen. Bij glans van maan en flakkrende flambouwen, Onder den schijn van zon, in regenwolk, Bij
Ludwig II
Hij was zóó vol van hooge majesteit, Dat hij zijn leven met geen mensch kon deelen, In schonnen waanzin bouwde hij kasteelen, Die hij bewoonde in zuivere eenzaamheid. Daar werd tot helle werklijkheid zijn droom. Blinkend verrezen zijn beminde helden: