Goddank, dat ik de deur gesloten houd! Nu kan mijn broeder niet meer binnensluipen. Ik haat zijn stil aan vaders voeten kruipen, Want mij behoort de schat van liefde en goud. Hij dronk de vreugd; laat hem ’t verdriet nu
Tag: gedicht aanwezig
Sonnet: Zij ging zoo rustig door de jaargetijden
Zij ging zoo rustig door de jaargetijden Des levens, of het altijd winter was En avond, en zij bij het haardvuur las Van eigen leed, dat andren moesten lijden. Zij werkte zonder weerzin of verblijden: Boende het huis en zeemde
De primitieven
Uw dienaars, Heer, de primitieve meesters, Stonden door Uwe minne zóó in gloed, Als in de vroege lente meidoornheesters, Wier stugge hout zich blank verbloeien moet. Wie kan hun reine kleuren wedervinden? Wie heeft als zij zoo kuische lijn gezet?
Tu es Deus absconditus
Avond in Rome Dien ik in alle dingen Als glans en schijn vermoed, Die tot mijn hart komt dringen In koude en in gloed, Laat mij U zóó gevoelen Als t driftige verzoelen En luwen van het bloed. Wanneer Gij
Sonnetten – I Italia
Sonnet I uit de Italiëcyclus (I t/m XII) Wat kent mijn hart van u dan enkle steden, Een landschap, een flard lucht, van hitte teêr, En overal: het aanschijn van den Heer, Zooals uw vroomste zonen Hem beleden! En langzaam
Sonnetten – II Lionardo
Sonnet II uit de Italiëcyclus (I t/m XII) Mijn ziel gruwt van het dubbelzinnig lachen, O Lionardo, dat gij zoo bemint: Een mengeling van zonneschijn en wind, Een faun die tussen englen staat te prachen. In geestesdiepten, krochten van gevoel,
Sonnetten – III San Marco
Hier wordt het bidden murmlen en verzuchten, In deze kerk vol geur en wazig licht. Ze is als een koortsdroom en een minnedicht, Zoo liefelijk en zacht en zoo te duchten. Gelijk der zijde glanze’ in kreuk en vouwen Tezamen
Sonnetten – IV Firenze
Wat zijn de heeren hard en hoog geweest, De heerschers in uw dreigende paleizen, Die nog als rotsen uit de branding rijzen: Het laffe en lauw gepeupel van den geest. Maar binnen was elk huis een heiligdom. In schaduw van
Sonnetten – V Fra Angelico
Hier was de woning van den armen clerc, Die bovenal Gods zoete Moeder minde, En maakte zich tot speelnoot van den Kinde: Hen malen werd zijn heilig levenswerk. Hij kon de vlammen en de tranen binden, De snelle driften van
Sonnetten – VI San Sebastiaan
Niet, dat men lijf en leden schond, Met pijlen trillende van woede, Maakt hem zoo glanzend en zoo moede, Maar dat men dood gelijk een hond Liet snuffen aan zijn langzaam bloeden En grommend kruipen langs den grond, Wijl men