Stefanus

Toen zij hem sleurden voor den hoogen raad En raasden, dat hij niet meer leven zoude, Was ’t, of zijn wezen uit hun handen dauwde En werd een nevel, waar de dageraad Gulden in gloorde, en vlammend als de gouden

Terug

Het was al avond, toen hij ’t huis genaakte, Een lauwe geur van vee dreef uit de stal, En heerste over ’t parfum van zijn verval; En was de essence van wat hij verzaakte, Dit: wat het leven klaar en