Hij liet de kreaturen tot Uw lof Hun bonte mengeling van stemmen reien; ’t Kirren van duiven en der raven schreien En ’t ritselen van regen in den hof. De zonnen dreunden en de maan zong klaar, Het spichtig gras
Tag: gedicht aanwezig
Sonnetten – VIII Roma
O Roma, wie dorst béédlen om uw gunst, Moest zich verbitterd van uw lachen wenden. Drieste barbaren, die u durfden schenden, Beschonkt gij met de schatten van uw kunst. Nog zijt gij veil als in dien verren tijd, Toen keizers
Sonnetten – IX San Pietro
De kaarsen vlammen boven Petrus’ graf, Een welig bed van buigende narcissen. Kerkvorsten bidden in de hooge nissen De zegeningen van den hemel af. En heffen majesteitlijk van gebaar Hun milde handen over heel de wereld, En van gebeden duizelend
Sonnetten – X Raffaello
Hij houdt zoo argeloos van bonte kleuren, Een kind, dat blij zijn fijnste verfjes nam, En wachtte pooplend, of er iemand kwam, Om met zijn glanzend bonte prent te geuren. Hij schildert het verschrikkelijkst gebeuren Met lossen zwier en vol
Sonnetten – XI Michel Angelo
Machtigste van Gods weinige verkoornen, Die om het schepsel met den Schepper dong: Gij wilder, en uit dooden rots ontsprong Het leven van verrukten en verloornen. Geweldige, die u door ’t leven wrong, En zóó mishandeld werd met liefdes doornen,
Sonnetten – XII Michel Angelo: pietà, San Pietro
Aanzie de Moeder en haar dooden Zoon, De grootste schepping van den grooten heiden. Wat heeft zijn hart om Jezus moeten lijdens. Geen beitelde Gods ondergang zoo schoon. Geheven op haar schoot, als op een troon, Ligt Hij ineengezonken; zwaar
Geluk
Toen zagen wij de wolken kruien En wachtten door de zwoele dag Het breken van de donderbuien In regenvlaag en hagelslag. En de avond daalde en geen vertroosten Van koelte en geen verkwikken kwam. Toen barstte s nachts het grommend
Insula felia
’t Hooge schuimen van leeds branding Gunt geen mensch de veilge landing In de stille baaien van Uw kust Maar die kloek-gelaten durft te geven Al den dierbren ballast van dit leven, Wordt aan land gespoeld en vindt Uw rust.
Wintermorgen
De tuin is toegesneeuwd; ’t gazon Ligt onder ’t hooge witte duin bedolven. Maar veilig in hun warme strooien kolven Wachten de rozen (en mijn hart wacht ook) de Zon! ’t Is late nacht, de lamp brandt laag, De ruiten
Bloeiende elzen
Nog voor ik stond in blad, Hebt Gij mij liefgehad. Alzijds mijn stuggen bos Zaagt Gij den rossen tros Die stuifde, ijl en geel, Met wolkend meel. Als ‘k straks den stijven kraag Van ruwe blaadren draag, En mijn eenzelvigheid