Brieven

Stamelwoorden van verrukking, Die geen zin en geen verband meer kennen; Flarden van gedachten, afgebroken Als een nieuwer zoeter visioen zijn toover Langs uw droomend aangezicht liet gaan. Deze onnoozle kinderlijke woorden, Heilig in hun ongeweten onschuld, Deze golvingen van

San Marco

Als uw bloode driestheid durfde erkennen, Dat wij samen in den hemel waren, Zou ik dan ’t gemeen geluk niet loven Van dit zaligheid-doordrenkt bestaan? Warm is de aarde onder onze voeten, Hoog reikt ’t gras als toen wij kindren