Luieren

Ik lig de hele dag zalig languit Te dromen en gerust op u te wachten. Verlangen heeft mijn denken iets gekruid, Precies genoeg om met plezier te smachten. Ik luier feestlijk, mijn lichte gedachten Bewegen zich om fris en geurig

Sterven

Dat mijn begeerten nog zoo dikwijls zwerven En ik in u mijn eenig heil niet zie! Droomgerige oogen en de melodie Van zoete stemmen zoek ik te verwerven. Ach, wat zal ’t baten als ik straks ga sterven, Die vreeslijke

Avonden

Wonderlijke avonden, ’t is of de wereld Een oogenblik zijn gonzend wentlen stilt. En als een roos met witte dauw bepereld, Zachtjes bewegend in Gods handen trilt. ’t Geluid dat lang verrimpelde verrilt. Er is alleen wat geur die opwaarts

Egoïsme

Wat is het ons of werelden vergaan En als dun stof door ’t wijd heelal verstuiven, Of zonnestelsels door elkander schuiven. Wij zien, gerust, dezelfde sterren staan. Wij voelen even de adem angstig gaan, Als ons de pauwestaart komt overhuiven

Uw naam

Wanneer mijn lied mag leven na mijn dood, Zal onze liefde niet vergeten wezen. Ons zwakke hart mag voor het sterven vreezen, Maar nooit vergaat wat zuiver is en groot. De wereld wentelt zich in stillen nood, Wijl stormen licht

Liedje

’t Zal eenmaal door mijn liederen slaan Alsof, een lentemorgen, De vogelen al te zingen gaan In lucht en loof verborgen. Dat kwinkt en kwettert frank en frisch Nabij en ver verdoken. Dat komt omdat het voorjaar is In bloesems

Avond

Zij zaten in de lage luie-stoelen, Dronken genietend de chineesche thee, Staarden den tuin in, en dan naar de koele Verborgenheid der duisterende allee. Zij speelde met haar flonkerende ringen, Waar de avond irriseerend in verglom. Zij dacht aan zoete