Dirk Bouts

Hij is een van die vrome primitieven, Die ’t aardsche hard en onbeholpen schildren, De wereld kan hun harten niet verwildren, Die op ’t gelaat der Moeder Gods verlieven. Zie zijn zoet boeten van de zondares, Zooals geen mensch zich

Het offer

God, wat maakt Gij uw eischen schriklijk zwaar! ‘Offer uw zoon! uw eengen! dien gij mint!’ Telkens die stilten, of Ge U nog bezint, En dan, vreeselijk snel, als een gevaar Komt, plots, de bangverwachte naam van ’t kind. –

De stervende

Zijn slapen was een duizelend verzinken Naar diepten van doods duistren kouden pool. Rond zich zag hij een gruwelijke school Van geesten als lichtende visschen blinken. Loeide daar de sirene van een schip? Even schokte hij wild en angstig wakker.

De schooier

Voor Ernst Groeneveld Hij slenterde de huizen langs. De oogen, waarin iets woests en bangs Vruchteloos saem te vloeien leek, Als men nieuwsgierig naar hem keek, Terneergeslagen; maar zijn kop Rukte zich trots en toornig op. Zoo, tartend, als de

De verjaardag

Wat kan het hart van een jongen verukken? Buitn: wild spelen en de buit Van zongestoofd roodgloeiend fruit, Waarvan hij heden vrijelijk mag plukken. Thuis: de feestlijk witte damasten disch; Zilver, kristal, gebak! Schittrende lichtgolven Houden zijn duizlend denken bedolven.

Wake

Laat anderen den nacht maar vieren En schaatren met vervaard gezicht. Geef mij het stom geduld van dieren, Dat stil en trouw te wachten ligt. De morgen zal ’t geluk wel brengen. Lang schalt het kraaien van den haan. De

October

October met uw donkerblauwe dagen, Uw koesterende warmte en koelend licht. ’t Hart kan uw heerlijkheid haast niet dragen. Gij zijt té schoon voor ons verweend gezicht. O, tranen kunnen onze ziel niet zuivren, Zij maken ons ellendig en zo