De bloemen

Gij bracht vandaag den zomer in mijn huis: Een groote ruiker roze en blauwe klokkken. Zij lokken door het raam met zwaar geruisch De hommels die op zoeten buit uittrokken. En witte rozen! Half nog sluimred, rood Als kinderen die

Waanzin

Ik leef niet meer als ik u niet aanschouw. Mijn denken is in leegte weggezonken. ’k Zie ’t licht niet meer, maar ballen vuur en vonken En dan duikt alles in een nacht van rouw. Er is een luide suizing

Droomen

Eiken dag was de lucht weer fonklend blauw, Stonden de rozen op hun steel te wuiven Als eventjes doorbloosde witte duiven, De stille vleugelen besprankt met dauw. Grillige wind deed de geurige schauw, Met zon doormengeld, over ’t gras verschuiven,

Eentonigheid

’t Is elken dag hetzelfde: wat kan ik Dan uw trouw mededogen eer bewijzen? Bewogen stamelend uw schoonheid prijzen? Tijd werd mij één lofzeggend oogenblik. Mijn oogen kennen ’t duister van den nacht Niet meer, noch dageraads vertroostend schijnen. Donker

Genieten

‘k Geniet den ijlen geur der bloemen feller Hoe meer ik ’t eind van dit kort leven ducht. Gulzig betast, verfijnd proef ik de vrucht. Ik zie den glans van alle dingen scheller. Mijn oogen lachen inniger en heller Tegen