Deze geuren zijn zoo week als ’t streelen Van een hand door zijïg zachte haren. O hun vleiïng die het bloed met zware Slagen door de vingeren doet spelen En dan zachtjes tempert tot bedaren. En een vreemde droefheid glijdt
Tag: gedicht aanwezig
De bloemen
Gij bracht vandaag den zomer in mijn huis: Een groote ruiker roze en blauwe klokkken. Zij lokken door het raam met zwaar geruisch De hommels die op zoeten buit uittrokken. En witte rozen! Half nog sluimred, rood Als kinderen die
Waanzin
Ik leef niet meer als ik u niet aanschouw. Mijn denken is in leegte weggezonken. k Zie t licht niet meer, maar ballen vuur en vonken En dan duikt alles in een nacht van rouw. Er is een luide suizing
De verhooring
Er woei een nevel om de wereld heen, Die had de dingen wazig weggesloten. Er had een droefheid aan mijn hart gestooten, En alle levenslust slonk en verdween. Ik bad! God! dat mij uw gena verscheen! Laat mij niet in
Droomen
Eiken dag was de lucht weer fonklend blauw, Stonden de rozen op hun steel te wuiven Als eventjes doorbloosde witte duiven, De stille vleugelen besprankt met dauw. Grillige wind deed de geurige schauw, Met zon doormengeld, over ’t gras verschuiven,
In den avond
En dan ga ik met al mijn leed Den schemerenden avond binnen, En alle waanzin van beminnen Valt van mij als een lastig kleed. ’t Bloed deint zoo rustig en zoo breed Van golving door mijn hart; de zinnen Zijn
Ik heb u lief
Ik heb u lief, gij zult gelukkig zijn! Zo fluister ik, alleen, in staag herhalen, En door mijn denken komt met vlagen dwalen Van liefdes volkslied het oeroud refrein. De meisjes zingen ’t in de maneschijn Met brede slingers wandlend
Eentonigheid
’t Is elken dag hetzelfde: wat kan ik Dan uw trouw mededogen eer bewijzen? Bewogen stamelend uw schoonheid prijzen? Tijd werd mij één lofzeggend oogenblik. Mijn oogen kennen ’t duister van den nacht Niet meer, noch dageraads vertroostend schijnen. Donker
De wandeling
De avond verrees zoo teeder perelgrijs, De maan glom als een lamp in een warande, Ik voelde ’t bloed warm kloppen in uw handen Ver scheprte een man de sneê der zatte zeis. Achter ons zongen op een wufte
Genieten
‘k Geniet den ijlen geur der bloemen feller Hoe meer ik ’t eind van dit kort leven ducht. Gulzig betast, verfijnd proef ik de vrucht. Ik zie den glans van alle dingen scheller. Mijn oogen lachen inniger en heller Tegen