Spreek maar een woord, en ‘k zal genezen, Geef mij uw hand, en ‘k bén gezond. En bitterheid zal blijdschap wezen, Kust mij uw mond. Er is in dit gebonden leven Slechts klank van ketenen voor mij. Maar wilt gij
Tag: gedicht aanwezig
De zonnewende
Ik kan niet opzien, of uw licht gelaat Rijst als een zon voor mijn aandachtige oogen. En als ik mij tot ’t boek heb neergebogen, Is ’t of het al in blauwen schaduw staat. Ik ben als een, die in
Uw gezicht
Een heilge, licht- op donkergoud gemaald, Zag ik u in den diepen zomeravend. De wereld leek zoo oud en zoo gehavend, Bij uw gelaat scheen ’t stille licht vervaald. En ‘k dacht aan die verweerde mozaïeken, Waar ’t zachte glanzen
Carpe diem
‘k Heb dezen dag zoo traag en fijn genoten Als kinderlipjes zuigen aan een vrucht En dan lang nagenieten met een zucht, Als ’t laatste sap hun keeltje is ingespoten. Hun handen streelden ’t goudfluweelen dons … In hun zachtgloeiende
In den tuin
Geldersche rozen met hun koele Ballen lichten den hemel toe. Seringen waaien paarse zoele Geurige schaduwen, gril en moe. Aan tengre boompjes, haast nog schuil, De witte zuiverheid der rozen; Midden in hun half open tuil Besluiten zij hun schuchter
Zomeravond
Zullen wij samen niet het veld in gaan En naar den waakschen zomervogel hooren, Die boven ’t zachte ruischen van het koren Zijn vreemde weeke liederen komt slaan? Zoo innig als geliefde’ omstrengeld staan En in hun overgave elkander schoren,
Je haar
Nu denk ik aan het geuren van je haren, Toen ‘k mijn gezicht in ’t zijig goud verborg, En als je handen dan met groote zorg Voelden, hoe vreeselijk verward ze waren, Lachte ik en liet mijn lippen zoetjes glijden
Het oerwoud
Het doet al vreezen: uit de groene wanden Loert stil het fel gevonk van brandende oogen. De lucht trilt van één zwaren gons doorvlogen, En bloemen staan als giftig vuur te branden. Wordt ’t leven langzaam uit ons weggezogen? De
Gij en ik
Ik weet de wereld niet, gij zijt alleen. En wat er in de ruimte moog gebeuren, ’t Is slechts een gobelin van stille kleuren, Dat wiss’lend schuift achter uw leven heen. Dagen en nachten, lachen en geween, Het voorjaar met
In de oude stad
Uw gouden oogen in de grijze stad Gaven een glans aan overoude dingen. Zij kwamen ons zoo klaar en gaaf omringen Als kindren na het koele morgenbad. Hoofden wendden zich naar u om, een vlam Sloeg plotsling op in duistere