Droomen

Eiken dag was de lucht weer fonklend blauw, Stonden de rozen op hun steel te wuiven Als eventjes doorbloosde witte duiven, De stille vleugelen besprankt met dauw. Grillige wind deed de geurige schauw, Met zon doormengeld, over ’t gras verschuiven,

Waanzin

Ik leef niet meer als ik u niet aanschouw. Mijn denken is in leegte weggezonken. ’k Zie ’t licht niet meer, maar ballen vuur en vonken En dan duikt alles in een nacht van rouw. Er is een luide suizing

De bloemen

Gij bracht vandaag den zomer in mijn huis: Een groote ruiker roze en blauwe klokkken. Zij lokken door het raam met zwaar geruisch De hommels die op zoeten buit uittrokken. En witte rozen! Half nog sluimred, rood Als kinderen die

Geluk

Nu zal ik voor altijd gelukkig zijn En zinnend door de luide wereld zwerven. Wat is het leven zoet, en ach, te sterven Van u bemind, heeft nog een lichten schijn. Boven ons brandt de zon den hemel rein En

Venezia

‘t Was avond toen wij in een gondel gleden Diep weggezonken in het zwart sameet De lucht leek als een wazig zilverkleed En ‘t water lag vol vage kostbaarheden. Wij luisterden: koel murmelde ‘t beneden, En langs de piazetta zoel

De blik

Uw ernstige oogen mild op mij gericht, Gaat gij soms zengend aan mijn hart voorbij. En duizelingen wirrelen in mij Tot heel mijn zwakke wezen is ontwricht. Het is of ik uit wit verblindend licht Door gouden schemeringen langzaam glij

Ontwaken

De morgen is ontwaakt met licht geruisch Van bladeren en helle vogelkelen. Slaap week zoo zacht als van hun stille stelen De lampjes van het paardebloemenpluis. Nog dwaalt gerucht van leven door het huis Als losse galmen die zich weer

Opdracht

Nu ik tot U mijn oogen heb geheven, Vergeet ik wat ter wereld woelt en krielt. Liefde heeft mij verzaligd en vernield. Ik wil alleen naar Uwen vrede streven. Voor U heb ik alle andren prijsgegeven. Daar is geen ding,