Wijl hij niet achtloos is voorbijgegaan Aan ’t kwaad, als waardlooze onverschilligheden, Maar dapper heeft geleden en gestreden En als een held in ’t harnas heeft gestaan, Bleef hij nog onbedorven van gemoed, Heerscht over de bekoring zijner driften; Durft
Auteur: Helma
De veertienjarige
Dit is een jaar van groot geluk geweest. Zijn oogen, die de wereld zacht bestaarden, Leerden het schoone flikkeren van zwaarden, Wier snelle scherpte men, ook tartend, vreest. Gelouterd werd het aarzelend geluid Dat in zijn stem zoo zoet en
De dertienjarige
Rustig ziet hij ’t groote leven komen, Want zijn jong en argeloos gemoed Voelt de gisting nog niet van het bloed, Als het voorjaar opstuwt in de boomen. Hij geniet de wereld zonder schromen. Elke dag geeft vreugde in overvloed.
De zieke jongen
Zijn oogen waren als ’t verschoten blauw Van zijde, die lang in een lade lag. Ze werden gróóter, als hij naar de nauw Bedwongen droefheid van zijn moeder zag Hij speurde een zweem van weemoed en beklag. ’t Was, of
De lezende jongen
Hij houdt van boeken over Indianen. En zelf is hij zoo teeder van gemoed, Dat hij geen kwaad denkt en geen onrecht doet. Toch leest hij graag van strijd en bloed en tranen. ’t Paard kniegeklemd, of hangend aan de
De jongen te paard
Hij laat den wind maar waaien door zijn haren. Blootshoofds zit hij op ’t steigerende paard. Hij lacht gelukkig; zijn onrustige aard Houdt van vermetelheden en gevaren Hij is één met zijn ros; en ’t zal bedaren Als hij den
De boerenjongen
Hoe zou zijn wezen anders kunnen zijn? Dit land was eeuwenlang in zijn geslacht. Zijns is hun moeite en heerlijkheid en macht, ’t Gewend gebieden en gehoorzaamd zijn. Hij is zich de arbeid van den grond bewust. Zijn bloed ruischt
Als een jongen groot wordt
Het leven lokt uit honderdduizend oogen, Er is een huivrig streelen in den wind. Met iedren diepen ademtocht verzwindt De kracht, of zoet vergif werd ingezogen. Zijn pols jaagt heet en stokt …. het fel bewogen Bloed, dat zijn gutsende
Het vlokje haar
Het is zoo weinig, een niets te beduien Wolkje van zijig gouden haar. Lachend genomen, maar het schreien Er over, eenzaam, valt zoo zwaar. Over een kleine doode luien Trage klokken verbijsterend naar. Handen en blinde oogen beien Streelen een
De sneeuw
Het wonder zien de zuiveren van oogen. Het is rondom hen, en zij schrikken niet, Zij weten, ’t is alleen voor hen geschied. Zij zien het, en zij zullen ’t tasten mogen. Zoo, nu de heele wereld welig stil Onder