Wáár ze kwamen langs de smalle wegen, Lachten hen de jonge kindren tegen, En ze bedelden om lachjes van háár kind. En de vrouwen lazen in zijn handen, Of zich lang de levenslijnen spanden, En of hij gehaat zou wezen
Auteur: Helma
Maria-liederen – II Geboorte
Toen het kleine kindje was geboren, Bleef er in het hart van zijn verkoren Moeder slechts een moeheid, en ze leed. En ze lachte smartlijk, toen zij even Weer terugdacht aan het eerste beven Van zijn leven in haar, en
Maria-liederen – I Verkondiging
Groetend wuifde de engel met zijn handen, En het was, of eensklaps wijde landen Open lagen voor haar kinderblik. En in ’t milde hemeldiepe zwijgen Hoorde zij beklemd haar eigen hijgen, En zij aarzelde een oogenblik. O, ze durfde nauwelijks
Sonnet: Toen hebt gij mijne schuldvernedering
Toen hebt gij mijne schuldvernedering In ’t streelen uwer handen weggenomen. Tranenverzadigde verteedering Kwam in de deernis uwer oogen doornen. Is niet de diepste wensch van alle vromen Hun donker aardsche zonden weder in Gods vuren liefde durend te verstroomen
Avondliedje
Nu heeft één leed ons beide omvangen, In dezen schemer grijs en stil. En onze liefde en ons verlangen Zijn doodlijk moe en zonder wil. Het geuren van de avo Rijst tot ons door het open raam. Ten hemel vloeien
Wachtende
Nog dezen avond zult gij tot mij komen. Tusschen ons beiden is een ijle sfeer Van liefde, vreezen, en vertwijfelingen, En het zal zijn als immer, en niets meer. Ik mag uw handen nemen, en mijn oogen Zullen verwaasd en
Avond
Die ik verloor, gij zult nog in mijn lied, Als in den vreê van avondgaarden dwalen. Het maanlicht weifelt in de looverzalen, En alles wordt tot wonder, wat men ziet; De hemel, als een heimwee, schoon en bleek, Aards zoele
Schemerliedje
In de schemering is er een fluisteren: Lieveling, lieveling! De hemelen duisteren, Maar klaar glanst hopen en herinnering: Lieveling, lieveling! Kom in de schemering. Handen zullen têer streelen, En aan uw oor de heele Heele stille fluistering: Lieveling, lieveling! En
Sonnet: Waarom kwelt gij mij met droomen
Waarom kwelt gij mij met droomen, Als gif uw nabijheid weigert. Waarom wilt gij zelf niet komen Nu tot hooge hartstocht steigert Mijn beminnen en begeeren, Tot mijn zwakke krachten breken, En mijn lang en krank ontberen Slechts waanzinnig u
Leed en geluk
Leed en geluk, wat ‘k gaf of won, Welde al uit liefdes eeuwge bron. Zoo zeker en zoo ongezocht Als harteslag en ademtocht. Ze zijn elkanderzijn zoo nabij Als warmte en koude in lentetij; Als onrust en verdroomde slaap; Als