Achter de loome koeien Lag ‘k aan den lauwen grond. De bleeke avondstond Stierf van een groot vermoeien. Diep zonk in mijn koele oogenp mijn Helios’ gouden blik. Mijn hart voelde zoete schrik, Of de heemlen naar mij bewogen. In
Auteur: Helma
Ikaros
Hij vloog … met kalmen slag der breedgewelfde zwingen, Waar, stug en stijf gepend, geen zuchtjen door ontweek. En om hem was de lucht een klinken en een zingen, Terwijl zijn blijde ziel, van heil verslagen, zweeg. Hij voelde langs
De mijnwerker
Wat uw verstompte en laffe en lustelooze zinnen Weer wekken kan met wrange en prikkelende smaak, Het zuiverende zout, moet ik u smartlijk winnen: Verstooten en onrein vervul ‘k mijn zuivre taak. Gij hoedt het heilig vuur ! gij ziet
De boer
Het voorjaar is ontwaakt, en rinsche geuren waaien Den taaien bodem uit, nog grauw en bar en braak, En prikkelen den lust tot ploegen en tot zaaien: De harde noodzaak wordt een vreugdevolle taak. Ik kies de kloeksten van de
De oude naaister
Zij, die de nauwe kronkelstraat bewonen, Zien dag aan dag haar oud gezicht voor ’t raam. Een lachje komt haar grauw gelaat verschoonen, Roept men, een hartelijken groet, haar naam. Haar naam! O hoeveel oude en jonge monden Hebben hem
De fluitspeler
Hij aarzelt schuchter wat hij spelen zal, En zint, het fluitje half ten mond geheven. Zoete, bewogenheid is in zijn oogen al, En de even open lippen zichtbaar beven. Den morgen heeft hij met een zilvren val Van vlugge tonen
Engelen II
Hij is zachter dan zijn sterke broeder. O zijn oogen lachen zoo bemind Naar Maria, en hij noemt haar Móeder, Zooals vroeger ’t zoete Jezuskind. Heel den dag verdroomt hij aan haar voeten, En het hoog gestemde instrument Van zijn
Engelen I
Zóo gezwind kan nooit een vogel vliegen, Als hij stort door alle heemlen heen. Maar hij voelt zijn vallen als een wiegen En de sferen rimpelen alleen. En het is in ’t weerlichtsnel verschijnen Van de dingen, of hij stille
Extatische nonnen
Is dit geen wonder, hoe die teêre nonnen, Die van Gods liefde gansch bevangen waren, In brandende uren met bont zijden garen Hun smart borduurden, fel en onbezonnen? Bleek en ontzenuwd van extaze, wonnen Zij kracht, en voelden weer, in
Heiligen II
II Mijn weeke deernis maakt uw zuivre wonden En hun verscheurde pijn niet minder wreed. Ik wiesch ze in ’t lauwe bad van mijne zonden, Zij gloeien koortsgezwollen rood en heet. Wee mij! ik heb uw witte rust geschonden. Uw