Liefde, is er geen ander pad, Dan door leed tot u te komen? Hebt gij nooit een hart tot u genomen, Dat zijn bitterheid nog niet geleden had? Moet een elk de vuren vlam Uwer heilgenade zengen? Kunt gij die
Auteur: Helma
Liedje
Ik droomde, dat uw hart mij riep En, nauwelijks vernomen, IJlde ik nabij te komen Tot waar gij laagt en sliep. Ik zocht u, en ik vond u diep In eenen groenend ale. De maan in loovren zale Siddrende schaduws
Liedje
Heb ik niet op u gewacht? Toen in bleeke vochtverzade Hemel rees een zweem van blauw, En de morgenster stond flauw Boven aardes nevelwade, Taalde ik naar uw stralende genade, Als naar de zon de doosche gouw. Heb ik niet
Avondliedje
’t Is de schemer, en uw zachte Glimlach is mij dicht nabij. Ziels verzichtbaarde gedachte Weerlicht tusschen u en mij. In de heemlen uwer oogen Spieglen sidderend zijn snelle bogen. In een Huistrend ommezweven Wijlt uw adem om mijn hoofd.
Verbeiden
Ik weet, dat gij niet komen zult, En wacht tóch op uw komen. En mijn verbeidend ongeduld Waakt nog in diepste droomen. Ik lig en slaap, en, onbewust Hoor ik op elk geruchten En beef vervaard naar de ijdlen lust
Passing Flirtation
Kom nu, kom nu, De tijd is vol. Daar zal geen uur meer komen, Dat van de bloei van dag en nacht Late avond zulk een gave pracht Heeft saamgenomen. Nu, in dit schaduwloze licht, Laat uw gezicht Glimlachend naar
Ontwaken
Nog slaapt dit gezicht, zoo zacht en broos, En weet niet, dat ‘k aandachtig sta gebogen Over de wondren der gesloten oogen. De wimpers trillen zoetjes en eenpoos Gaan ze gestadig, zonder wil bewogen, Of de oogen zagen door de
Een dag IV/IV
Nacht Lief, de roode rozen doven Nu het duister van den nacht begint, En de zilvren luister van de hoven Zweeft gelijk een neveling naar boven. En de sterren rijzen en heel de aard ligt blind. In den donkren vreê
Een dag III/IV
Avond Lief, de regen is geweken, En de wilde winden zijn voorbijgegaan. Uit de bleeke westerstreken Zweeft de streeling van den avond aan. En de onmeetlijk veege heemlen bleeken. Nergens is een ster verrezen, Maar de glansen van de zon
Een dag II/IV
Middag Door de diepe donkerblauwe Hemelen gaat helder elk gerucht. In de zalige landouwen, Waar nooit wee een hart benauwde, Hoort men ’t ijle rijzen van ons aardsch gezucht. En uw hoofd ligt aan mijn schouder, En gij lacht gerust