I Hij trok zoo strak den gordel om zijn lendnen, Dat deze Iangzaam ’t voddig kleed doorsneed, De huid aanvrat en als een vuur zoo wreed Brandde in het zieke vIeesch, en ongekende Verzoekingen en wellust in hem wrocht. Toen
Auteur: Helma
Egypte I, II
I Ik stel mij voor, dat ik een jodenjongen Was in Egypte, en de goden zag, En koningen met den verboden lach, En danseressen die vervoerend zongen En wiegelden bij ’t hooge dunne koeren Der fluit: een Iang getrokken zilverdraad;
Rabbijnen
Zij staan te zingen, en wiegen de Wet als een kind in hun armen, en de woestijn Strekt zich rondom en ’t doodsch verlaten zijn Van de heilige Sinaï; ontzet Hen niet het opgeslorpt zijn door de wolk Die de
S. Teresa in extaze
Het is een langzaam stijgen in het niet, Een in het ondoorgrondelijke verzinken; Het is gebonden in een zak verdrinken, Aanspoelen tusschen hemels oeverriet. Het is een zeIfhandhaving en een rusten Van het lichaam dat zwoegt om te vergaan. De
Afgescheidenen
Niemand spreekt meer van koksianen; Van fijnen en motregen weet men wèI. De glans van een scheldwoord gaat gauw tanen, Maar de haat is nog laaiend als de hel. Men vormde een ring om ze neer te beuken. Dat is
Zeventiende-eeuwsche predikanten
Zij waren hard, en sloegen op het Boek, Wanneer de superstitie der papisten Hen driftig maakte; en wee den ongodisten Onder den gepraedestineerden vloek. Hanteerden zij het geesteszwaard zeer kloek, Zij troostten en verkwikten meer, en wisten De zoetheid van
Calvijn
Hij met de doodskop en fanatisch boos Van baard en ogen, kon geluk ontberen. Waarom de Souvereiniteit des Heeren Juist hem tot feilloos treffend wapen koos? Hij wierp zich ziende in het grondeloos Diep van Zijn eeuwige genaverbonden; Verheffend bovenal
Luther
Hij was en bleei een drift gebonden boer, Die zingen kon zoodat het klooster dreunde, ’s Avonds sloeg hij verwoed op schonk en schoer, En niet de duivel, maar hij brulde en kreunde. Tusschen zijn IachIust en bezetenheid, Dit felle
De dichter
Er leven velen in hem, maar zij sluimren. Hij mag hen niet ontwekken, en hij wacht Of geen zich wakker woelen zal, en zacht, Een duif, tot t leven kringlen zal en tuimlen. Als hij hun schaduw in de grijze
Dankliedje
Wij hebben niet elkaar gezocht, Maar – ’t was zoo voorbeschikt – gevonden. Gij voeldet dat ik vreesde en vocht En hebt me aanvaard met leed en zonden. Gif gaaft uw liefde, de eisch der wet, Zonder bedenken, en met