Wij weten niet wat komen zal ’t Hart kent alleen wat is geweest De vrede van een stillen geest, Vervreemding, duister, overal. Maar smart en onrecht zijn voorbij. Wij keerden weer tot liefdes wijk. Als kind’ren van Gods koninkrijk Zijn
Auteur: Helma
De fakkel
Ik weet niet, wie hem in de kram Gezet had aan den blinden muur, Wie hem ontstak, wel wie hem nam En voor mij uit zijn ronde vlam Droeg tot ik veilig binnen kwam. Voor mij droeg hij Gods vuur.
Charitas
Iemand te minnen, dat is één Trachten te redden uit ’t bestaan Van dolen en verloren gaan, Gods lusthof brengen om hem heen Met al de vrede van de heem’len, De klaarheid en de glans van ’t licht, En englen
Boanerges
Hij was geen smachtende weekeling Maar een gebiedende smeekeling. Driftig riep hij den donder aan, Om andere dwarskoppen neer te slaan. Maar Jezus heeft zijn ziel getemd, Op Zijn erbarmen afgestemd, Zoodat door hem Gods liefdedaad Als een golfstroom om
Johannes
De bergen donkerden om ’t meer. Het water lag nog licht en wijd. Tusschen hun schaduws, heinde en veer, Glimpte ’t van vlugge zilvrigheid. De witte visch met blauwe vin, Flitste òp en schoot de diepten in. Zacht wiebelde de
In Nazareth’s synagoge
Lukas 4 : 29, 30 Was Hij niet met hun zonen opgegroeid? En bleven zij geen goede kameraden? Hun jeugd liet zich door Zijn ervaring raden; Hij werkte als zij en werd met hen vermoeid. Hij was hun huisjes in-
Nazareth
Het was in ’t stille Nazareth. Zij waren van hun arbeid moe. Lang vielen Jezus’ oogen toe. En jozef sprak met kalme stem Het avondlijk gebed. Maria dacht aan Bethlehem: Zij lag, ten doode uitgeput, Op stroo, in een verlaten
Jezus Rex
Hij is geboren tot de macht. Zijn in den tijd ontwaakte oogen Zijn nu reeds vol van mededongen Maar naderen al tot de pracht Van zich meedeelend af te zondren Terwijl zijn mondje dat nu beeft, Straks troost-en strafwoord heeft
Het atoom
Krachten slingren in dit heelal De bollen als een dans van zonnen. Wat in den hemel is begonnen Handhaaft zijn wet, maat, en getal, In naderen en afscheidgeven, Elkaar omzwaaien, een verbond Sluiten of er iets nieuws ontstond, Wegzweven in
De nachtegaal
In ’t binnenste der dichte hage Heeft hij zijn leger opgeslagen, Onachtzaam, voor een kort seizoen Zijn zingende ommegang te doen Bij nacht, de diepe nederlagen Van onze ellendigheid ten zoen. Ons donker opgestuwde zwijgen, Hartstochts lang ingehouden hijgen, Doorbreekt