Finis

Wij weten niet wat komen zal ’t Hart kent alleen wat is geweest De vrede van een stillen geest, Vervreemding, duister, overal. Maar smart en onrecht zijn voorbij. Wij keerden weer tot liefdes wijk. Als kind’ren van Gods koninkrijk Zijn

Charitas

Iemand te minnen, dat is één Trachten te redden uit ’t bestaan Van dolen en verloren gaan, Gods lusthof brengen om hem heen Met al de vrede van de heem’len, De klaarheid en de glans van ’t licht, En englen

Boanerges

Hij was geen smachtende weekeling Maar een gebiedende smeekeling. Driftig riep hij den donder aan, Om andere dwarskoppen neer te slaan. Maar Jezus heeft zijn ziel getemd, Op Zijn erbarmen afgestemd, Zoodat door hem Gods liefdedaad Als een golfstroom om

Johannes

De bergen donkerden om ’t meer. Het water lag nog licht en wijd. Tusschen hun schaduws, heinde en veer, Glimpte ’t van vlugge zilvrigheid. De witte visch met blauwe vin, Flitste òp en schoot de diepten in. Zacht wiebelde de

Nazareth

Het was in ’t stille Nazareth. Zij waren van hun arbeid moe. Lang vielen Jezus’ oogen toe. En jozef sprak met kalme stem Het avondlijk gebed. Maria dacht aan Bethlehem: Zij lag, ten doode uitgeput, Op stroo, in een verlaten

Jezus Rex

Hij is geboren tot de macht. Zijn in den tijd ontwaakte oogen Zijn nu reeds vol van mededongen Maar naderen al tot de pracht Van zich meedeelend af te zondren Terwijl zijn mondje dat nu beeft, Straks troost-en strafwoord heeft

Het atoom

Krachten slingren in dit heelal De bollen als een dans van zonnen. Wat in den hemel is begonnen Handhaaft zijn wet, maat, en getal, In naderen en afscheidgeven, Elkaar omzwaaien, een verbond Sluiten of er iets nieuws ontstond, Wegzweven in

De nachtegaal

In ’t binnenste der dichte hage Heeft hij zijn leger opgeslagen, Onachtzaam, voor een kort seizoen Zijn zingende ommegang te doen Bij nacht, de diepe nederlagen Van onze ellendigheid ten zoen. Ons donker opgestuwde zwijgen, Hartstochts lang ingehouden hijgen, Doorbreekt