Cantate: Alan einget mit Freuden on Sieg. In ’t donker van de kamer is ’t Lachen van engelen begonnen, Waardoor wij worden overwonnen En helder Gods geheimenis Ervaren, of met nieuwe namen Ons noemende Hij tot ons kwam, Ons voorhoofd
Auteur: Helma
Zomerwolken
O sterk verlangen, dat in zuchten En tranen aan de ziel ontstijgt, En straks, verklaard, in reiner luchten, Een hemelsche gestalte krijgt. Er moet gezwoegd zijn en gezwegen, Ziel moet gehaat zijn en gejaagd, Eer u, Bees aardsche sfeer ontstegen,
Geen andere goden
Vergeef! verlangen, aardsch en heerlijk, Dat plotsling gaan de ziel ontsprong, Een jong begeerden, maakte jong, En hield zijn glans, ook toen het deerlijk Besef ons met ontzetting slog, Dat wie den hemel wil verwerven Zijn liefsten afgod moet ontstèrven,
Avond
Hij talmde met het luik te sluiten. Een vogel vloog de struiken in. Het laatste rood ontvlood de ruiten En het werd avond in zijn zin. En alles wat hij dacht was: rusten! En wat hij deed, was sterk maar
Zomermorgen
In vroegen uchtend, als de grijze Nachtschemering verbleekt, en blank Over de hemelen gaat rijzen, En reeds een looden wolkenbank Smelt aan de randen door de vuren Die zon fel in de diepte stookt, Begint een haan te kukeluren En
Mozes op Nebo
Hoe geeft Gij, eer ik sterve En tot mijn oorsprong keer, Mij meer dan mijn begeer-, Eén oogwenk, heel uw erve! Ik kloeg, in dwingend bidden: Doe mij dóór de Jordaan Met Isrels rijen gaan, En strijden in hun midden.
Het geluksland
De Roode Zee en de Jordaan Scheiden ons nog van Kanaän, En tusschen beiden de woestijn Vol zand en zonneschijn. Veertig daar gaan bij God te gast, Ons zelf tot lust en Hem ten last, Veertig jaar dwalen is te
De oude tuinman
Gij hebt aan mij uw woord vervuld, Mij lang in veld en hof geduld. Dies is het goed en is het recht, Dat gij mij afloont als een knecht. Ik heb u niet veel winst gebracht, Ofschoon ik zwoegde dag
De peppel
Gif hebt mij dit gegeven, Dat ik zoo lang ik leef, Met vreezen en met beven, Naar boven streef. Mijn bladeren, de velen, Op hun gedraaide steel, Kaatsen in duizend deelen Uw licht geheel. In ’t veld, ver van de
De beek
Gij hebt uw bedding diep gegraven, Smalle kristallen beek, Om versch te lesschep en te laven Wat bij u nederstreek. Het zaad, door God hierheen bevolen, Zocht en vond honk, Wanneer ’t zijn wortelen liet dolen Tot u, en dronk.