Het grauw

Weest vruchtbaar, zeidet Gij; en onder alle volken Was ’t onze snel en stipt gehoorzaam aan Uw woord. Wij daalden als een zwerm sprinkhanen uit de wolken En overdekten ’t veld en teelden welig voort. De wachtgen schenden ons: Uw

De slang

Zij is de erkende profetesse. Haar achterklap en voorgevoel Worden aanvaard als wijze lessen, Gesproken met een ernstig doel. Wie haar ontmoet langs ’s heeren wegen, Stemmig van haardracht en kleedij, Weet niet, wat duivelin hij tegen Komt, vol van

De boer

‘Zijn God onderricht hem’ De landsche dochteren en zonen Tezaâm. In stilheid opgegroeid, Met blonde haren, ronde konen, En armen waar het bloed in bloeit, Zien bij het rijpen hunner jaren Hun struischheid en hun taaie kracht, En als hen

Nazomer

Weinig schoone dagen Zijn ons nog gegeven. Laten wij den hemel vragen Om gelukkig leven: Nachten wit van dauw, Die laat optrekt, En als water zonnelauw Langs ’t gewas lekt; Om bezonken klaarte In vogellied en bruine sloot; Vruchten vol

Zon

De zon scheen binnen, en een lichte plek Op ’t tafelkleed gleed grillig heen en weer En trilde in ’t leege waterglas, en zeer Gewaagd sprong ze over naar het boekenrek, En ging gelijk een groote gouden roos Temidden van