Hij huiverde; toen hij gebeden had En weder door de droge beek wou gaan, Zag hij een Engel vliegen langs de maan. En vleuglings hield een schaduw hem omvat, En boog hem achterover en hij viel. Iets zachts, dat langs
Auteur: Helma
De kluizenaar
Hij was de heele wereld doorgetrokken, Had op zijn crucifix en zwaard geleefd En bouwde een but van zoden en van blokken En werd een man, die naar den vrede streeft. Hij vocht met slangen en versloeg rabauwen En wandelde,
Het grauw
Weest vruchtbaar, zeidet Gij; en onder alle volken Was ’t onze snel en stipt gehoorzaam aan Uw woord. Wij daalden als een zwerm sprinkhanen uit de wolken En overdekten ’t veld en teelden welig voort. De wachtgen schenden ons: Uw
De slang
Zij is de erkende profetesse. Haar achterklap en voorgevoel Worden aanvaard als wijze lessen, Gesproken met een ernstig doel. Wie haar ontmoet langs ’s heeren wegen, Stemmig van haardracht en kleedij, Weet niet, wat duivelin hij tegen Komt, vol van
Familiedag
Van heinde en verre komt de sippe saâm, Een dag per jaar, om met elkander te eten, En op te rakelen wat moet vergeten Der vaadren veeten en hun eigen faam. Zij smullen lang van ’t hartig nagerecht En lasteren
Het stamboek
In een register had hij opgeschreven Den stamboom van zichzelf, paarden en vee. Al wat ’t bedrijf groot maakte, telde mee. En voorin stond: kasboek van dood en leven. Des Zondagsmiddags na de tweede preek, Zat, rookend, hij te peinzen
De boer
‘Zijn God onderricht hem’ De landsche dochteren en zonen Tezaâm. In stilheid opgegroeid, Met blonde haren, ronde konen, En armen waar het bloed in bloeit, Zien bij het rijpen hunner jaren Hun struischheid en hun taaie kracht, En als hen
Nazomer
Weinig schoone dagen Zijn ons nog gegeven. Laten wij den hemel vragen Om gelukkig leven: Nachten wit van dauw, Die laat optrekt, En als water zonnelauw Langs ’t gewas lekt; Om bezonken klaarte In vogellied en bruine sloot; Vruchten vol
Zon
De zon scheen binnen, en een lichte plek Op ’t tafelkleed gleed grillig heen en weer En trilde in ’t leege waterglas, en zeer Gewaagd sprong ze over naar het boekenrek, En ging gelijk een groote gouden roos Temidden van
De witte kater
Hij ligt graag op de leuning van mijn stoel, Een warme sneeuwbal, die zich kan ontwinden En naar het lege tasten als een blinde, En golven met zijn rug of een gevoel Zich uit wil leven tot een melodie, Achteloos