Nog dezen avond zult gij tot mij komen. Tusschen ons beiden is een ijle sfeer Van liefde, vreezen, en vertwijfelingen, En het zal zijn als immer, en niets meer. Ik mag uw handen nemen, en mijn oogen Zullen verwaasd en
Categorie: De overgave
Avondliedje
Nu heeft één leed ons beide omvangen, In dezen schemer grijs en stil. En onze liefde en ons verlangen Zijn doodlijk moe en zonder wil. Het geuren van de avo Rijst tot ons door het open raam. Ten hemel vloeien
Sonnet: Toen hebt gij mijne schuldvernedering
Toen hebt gij mijne schuldvernedering In ’t streelen uwer handen weggenomen. Tranenverzadigde verteedering Kwam in de deernis uwer oogen doornen. Is niet de diepste wensch van alle vromen Hun donker aardsche zonden weder in Gods vuren liefde durend te verstroomen
Extatische nonnen
Is dit geen wonder, hoe die teêre nonnen, Die van Gods liefde gansch bevangen waren, In brandende uren met bont zijden garen Hun smart borduurden, fel en onbezonnen? Bleek en ontzenuwd van extaze, wonnen Zij kracht, en voelden weer, in
Aanroep
Doe gij met mij naar uwen wil Ik vind geen zweem van weerstand meer, Ik ben in uwen vrede stil En ken u als mijn heer. ’t Donker weerstreven van mijn bloed Ging jaren naar uw goedheid uit. Nu zijt
Eroos tot de ziel
Wat ontwijkt gij mij verlegen? Ben ik niet met u geboren? Vond ons ’t eerste morgengloren Niet in de eendre wieg gelegen? Was de laafnis onzer moeder Uwe lippen zooveel nader? Was de kracht van onzen vader Niet ons beider
Ganymedes
Achter de loome koeien Lag ‘k aan den lauwen grond. De bleeke avondstond Stierf van een groot vermoeien. Diep zonk in mijn koele oogenp mijn Helios’ gouden blik. Mijn hart voelde zoete schrik, Of de heemlen naar mij bewogen. In
Ikaros
Hij vloog … met kalmen slag der breedgewelfde zwingen, Waar, stug en stijf gepend, geen zuchtjen door ontweek. En om hem was de lucht een klinken en een zingen, Terwijl zijn blijde ziel, van heil verslagen, zweeg. Hij voelde langs
De mijnwerker
Wat uw verstompte en laffe en lustelooze zinnen Weer wekken kan met wrange en prikkelende smaak, Het zuiverende zout, moet ik u smartlijk winnen: Verstooten en onrein vervul ‘k mijn zuivre taak. Gij hoedt het heilig vuur ! gij ziet
De boer
Het voorjaar is ontwaakt, en rinsche geuren waaien Den taaien bodem uit, nog grauw en bar en braak, En prikkelen den lust tot ploegen en tot zaaien: De harde noodzaak wordt een vreugdevolle taak. Ik kies de kloeksten van de