Zij, die de nauwe kronkelstraat bewonen, Zien dag aan dag haar oud gezicht voor ’t raam. Een lachje komt haar grauw gelaat verschoonen, Roept men, een hartelijken groet, haar naam. Haar naam! O hoeveel oude en jonge monden Hebben hem
Categorie: De overgave
De fluitspeler
Hij aarzelt schuchter wat hij spelen zal, En zint, het fluitje half ten mond geheven. Zoete, bewogenheid is in zijn oogen al, En de even open lippen zichtbaar beven. Den morgen heeft hij met een zilvren val Van vlugge tonen
Engelen II
Hij is zachter dan zijn sterke broeder. O zijn oogen lachen zoo bemind Naar Maria, en hij noemt haar Móeder, Zooals vroeger ’t zoete Jezuskind. Heel den dag verdroomt hij aan haar voeten, En het hoog gestemde instrument Van zijn
Engelen I
Zóo gezwind kan nooit een vogel vliegen, Als hij stort door alle heemlen heen. Maar hij voelt zijn vallen als een wiegen En de sferen rimpelen alleen. En het is in ’t weerlichtsnel verschijnen Van de dingen, of hij stille
Herdenking
Mijn hart herdacht zijn bitterheden En al zijn liefde wonderlijk. Ben ik aan onverhoorde beden En aan verdrukkingen zoo rijk? En is er niemand om te deelen Den rijkdom van dien last zoo groot? Dit is des harten zeerste nood:
Heiligen II
II Mijn weeke deernis maakt uw zuivre wonden En hun verscheurde pijn niet minder wreed. Ik wiesch ze in ’t lauwe bad van mijne zonden, Zij gloeien koortsgezwollen rood en heet. Wee mij! ik heb uw witte rust geschonden. Uw
Heiligen I
I Zij had al ’t aardsche van zich weggedaan, En waande zich in hemels bloemenwei. Daar dansten engelen hun lichten rei, En zij mocht zingend in hun midden staan. ‘Kies nu uw bruidegoom !’ Zij zag hen aan; Alle gezichten
De genezende
Hij voelt zich in den zomer als een vreemde, Omdat hij niet het groen ontluiken zag. Hij wijkt schuw voor der kindren schelle lach En mint gedempt geluiden in den schemer. En op de paden, waar geen schaûwen zijn, Wankelt
Narkissos
(Fragment) Op fond van donker hemelblauw, Zag, heel den dag, gebogen aan de beek, Ik ’t huiverende en heimelijke schoon Mijns aangezichts, der leden kloeken bouw, De gansche onverhulde heerlijkheid Des lichaams, ademdeinend, greep-nabij. Heerlijk ontloken bloem van mijn
De antichrist
Hij ging in pracht van purperen gewaden, Zijn oogen waren mild en schoon en week. En voor ‘hem uit liep door de gansche streek Een roepen van zijn goedheid en genade. Zijn glimlach glansde blijder dan het goud Dat gloeide