Engelen II

Hij is zachter dan zijn sterke broeder. O zijn oogen lachen zoo bemind Naar Maria, en hij noemt haar Móeder, Zooals vroeger ’t zoete Jezuskind. Heel den dag verdroomt hij aan haar voeten, En het hoog gestemde instrument Van zijn

Engelen I

Zóo gezwind kan nooit een vogel vliegen, Als hij stort door alle heemlen heen. Maar hij voelt zijn vallen als een wiegen En de sferen rimpelen alleen. En het is in ’t weerlichtsnel verschijnen Van de dingen, of hij stille

Narkissos

(Fragment) … Op fond van donker hemelblauw, Zag, heel den dag, gebogen aan de beek, Ik ’t huiverende en heimelijke schoon Mijns aangezichts, der leden kloeken bouw, De gansche onverhulde heerlijkheid Des lichaams, ademdeinend, greep-nabij. Heerlijk ontloken bloem van mijn