Hij kwam te midden van Gods’ dienerschaar, Die hem vol statie over ’t koor geleidde Simpele blankheid tegen helle zijde Van purpren tabbaard en brocaat tlaar. En ieder zag hoe hij terneder klom…. Even zijn voeten in het water plasten.
Categorie: De overgave
De zoon
Kon ik nog eenmaal, vader, wederkeeren Ten koelen vrede van uw noodend huis, Kon ik nog eenmaal, als de zoon huns heeren, Vorstelijk schrijden door het noest gedruisch Der slaven, die, gezwind, uit schuur en stallen Luidruchtig, aan den zwaren
De vader
Wij bleven tòch niet bij elkander. Dat hij gegaan is, smart mij niet. De tijd komt toth, dat de een den ander Verlaat, en niet meer ziet. Maar dat hij niet een wijl’ kòn wachten. (Reeds boog de ouderdom mij
Het speeltuig
Als een vlaag van uw genade Niet mijn arme hart doorbeefde, Hoé zou ik dit leven dragen? Ik verwenschte, dàt ik leefde. Want, een speeltuig, opgehangen Voor al ’t wereldsche rumoeren Voel ik iedren kreet verlangen Door mijn teedre snaren
Fra Angelico
Deze engelen in gouden luchten Waren anders niet dan ’t argeloos en licht Ademen van zijne ziel en zuchten Sidderende naar Gods aangezicht. In hem rees hun wonderlijk verschijnen En hun ijl vervluchten als een geur. Toen werd eensklaps zijn
Sonnet: Hebben onze oogen niet elkaêr bemind?
Hebben onze oogen niet elkar bemind? Heldere tranen van geluk ontsprongen, Die plotseling de veege ziel verjongen En doen ten leven keeren als een kind. Ik ben voor werelds heerlijkheden blind Door ’t heilig deelgenootschap aan uw leven: ’t Suizelen
Sonnet: Wist gij den dood wel zóó nabij?
Wist gij den dood wel zóó nabij? Zijn schaduwlooze handen Zich voor uw oogen spanden: Doorzichtig web van ijle zij. Nu is het leven u verwaasd : Gelijk verleden dagen Een gouden luister dragen, Is leed tot puur geluk verdwaasd.
Sonnetten – III Er is een liefde bitter als de dood
Er is een liefde bitter als de dood, Meer onverwoestbaar dan des levens machten. En teeder als de maan, die, bleek en rood, Rijst uit den damp der ijle zomernachten. Met ons geboren, toen in blijden nood De moeders ons
Lees meer Sonnetten – III Er is een liefde bitter als de dood
Sonnetten – II Ik wist uw oogen niet zoo schoon en zacht
Ik wist uw oogen niet zoo schoon en zacht, Ik wist niet, dat uw mond zoo zoet kon spreken, Klagen en eischen en weemoedig smeeken; Ik kende niet de teêrheid van uw kracht. Nu ben ik in. uw onbedwongen macht.
Lees meer Sonnetten – II Ik wist uw oogen niet zoo schoon en zacht
Sonnetten – I Onze oogen toonden een genegenheid
Onze oogen toonden een genegenheid Die zonnig was als liefde in kinderharten, Die nooit door een begeeren werd ontwijd, En vrij van twijfelingen en van smarten. En tusschen ons was slechts de teederheid Der trouw, die ’t al durft om