De zoon

Kon ik nog eenmaal, vader, wederkeeren Ten koelen vrede van uw noodend huis, Kon ik nog eenmaal, als de zoon huns heeren, Vorstelijk schrijden door het noest gedruisch Der slaven, die, gezwind, uit schuur en stallen Luidruchtig, aan den zwaren

De vader

Wij bleven tòch niet bij elkander. Dat hij gegaan is, smart mij niet. De tijd komt toth, dat de een den ander Verlaat, en niet meer ziet. Maar dat hij niet een wijl’ kòn wachten. (Reeds boog de ouderdom mij

Fra Angelico

Deze engelen in gouden luchten Waren anders niet dan ’t argeloos en licht Ademen van zijne ziel en zuchten Sidderende naar Gods aangezicht. In hem rees hun wonderlijk verschijnen En hun ijl vervluchten als een geur. Toen werd eensklaps zijn