Hoogzomer

De slaap ontwijkt in deze lichte tijden. De schemering verdiept tot donkerblauw, En vóór dit zwart wordt, komt het morgengrauw Reeds als een rook de hemel overglijden. Klopt ’t bloed zo zwaar door onze ontruste rust? Zijn het de maaiers

Het geluk

Misschien is er in ieder leven, Na lang verdriet en hard gericht, Toch nog een klein geluk gebleven Bloemen en wolken en een licht. Glanzende komt het tot ons zweven, Blijft talmend aan den hemel staan, Zoodat het hart wordt

De cactus

Hij werd vertroeteld en ontzien, de grijze, Wiens scherpte men, waardeerend, liefst ontweek. Hij scheen een lompe ronde zonnewijzer Die naar het wanellen van zijn schaduw keek. Onmerkbaar was zijn leven en zijn groeien. jongens en meisjes werden naast hem

Zon

De zon scheen binnen, en een lichte plek Op ’t tafelkleed gleed grillig heen en weer En trilde in ’t leege waterglas, en zeer Gewaagd sprong ze over naar het boekenrek, En ging gelijk een groote gouden roos Temidden van

Nazomer

Weinig schoone dagen Zijn ons nog gegeven. Laten wij den hemel vragen Om gelukkig leven: Nachten wit van dauw, Die laat optrekt, En als water zonnelauw Langs ’t gewas lekt; Om bezonken klaarte In vogellied en bruine sloot; Vruchten vol