Wij zweren dat we Uw vendel zijn, Geschaard om de gewijde vanen, Wier purperen en blanke banen Weerlichten in de zonneschijn. En wij gedenken: rood is wijn, Uw bloed, uw dood; blank zijn de tranen, Blank stijgt de melk in
Tag: gedicht aanwezig
Hoogzomer
De slaap ontwijkt in deze lichte tijden. De schemering verdiept tot donkerblauw, En vóór dit zwart wordt, komt het morgengrauw Reeds als een rook de hemel overglijden. Klopt t bloed zo zwaar door onze ontruste rust? Zijn het de maaiers
Het geluk
Misschien is er in ieder leven, Na lang verdriet en hard gericht, Toch nog een klein geluk gebleven Bloemen en wolken en een licht. Glanzende komt het tot ons zweven, Blijft talmend aan den hemel staan, Zoodat het hart wordt
De eschdoorn
Hij heeft zijn plaats genomen Terzijde van den gaard, Waar alle winden hem doorstroomen En alle zonlicht hem bezwaart. Zoo, in dit grimmig streelen, Onder dien warmen last, Houdt hij met wortelen en stelen Rustig aan aarde en hemel vast.
De cactus
Hij werd vertroeteld en ontzien, de grijze, Wiens scherpte men, waardeerend, liefst ontweek. Hij scheen een lompe ronde zonnewijzer Die naar het wanellen van zijn schaduw keek. Onmerkbaar was zijn leven en zijn groeien. jongens en meisjes werden naast hem
De doornstruik
Nader niet een tak te breken, Alzijds weer ik mij met steken. Nimmer sta ik tot een staf Wortelhout of kroonscheut af. jong, hebzuchtig dwaze mannen, Hebt gij me uit uw veld verbannen. Waar het geerend raakt den sloot, Was
De witte pauw
Dit is een hemelsch droomgezicht. Een blinde neveling van licht Heeft zich tot witte zon verdicht En wentelt langs ons heen. En onze ziel wordt als de dwaal Ten feestdisch na het avondmaal Onder de kaarsen in de zaal, Zoo
De witte kater
Hij ligt graag op de leuning van mijn stoel, Een warme sneeuwbal, die zich kan ontwinden En naar het lege tasten als een blinde, En golven met zijn rug of een gevoel Zich uit wil leven tot een melodie, Achteloos
Zon
De zon scheen binnen, en een lichte plek Op ’t tafelkleed gleed grillig heen en weer En trilde in ’t leege waterglas, en zeer Gewaagd sprong ze over naar het boekenrek, En ging gelijk een groote gouden roos Temidden van
Nazomer
Weinig schoone dagen Zijn ons nog gegeven. Laten wij den hemel vragen Om gelukkig leven: Nachten wit van dauw, Die laat optrekt, En als water zonnelauw Langs ’t gewas lekt; Om bezonken klaarte In vogellied en bruine sloot; Vruchten vol