De boer

‘Zijn God onderricht hem’ De landsche dochteren en zonen Tezaâm. In stilheid opgegroeid, Met blonde haren, ronde konen, En armen waar het bloed in bloeit, Zien bij het rijpen hunner jaren Hun struischheid en hun taaie kracht, En als hen

De slang

Zij is de erkende profetesse. Haar achterklap en voorgevoel Worden aanvaard als wijze lessen, Gesproken met een ernstig doel. Wie haar ontmoet langs ’s heeren wegen, Stemmig van haardracht en kleedij, Weet niet, wat duivelin hij tegen Komt, vol van

Het grauw

Weest vruchtbaar, zeidet Gij; en onder alle volken Was ’t onze snel en stipt gehoorzaam aan Uw woord. Wij daalden als een zwerm sprinkhanen uit de wolken En overdekten ’t veld en teelden welig voort. De wachtgen schenden ons: Uw

De bader

Zijn bronzen lichaam blonk in zonneschijn. Op ’t water blonk zijn beeld spieglend gebroken. En in die spiegeling is hij gedoken En rees, om voor zichtelven vreemd te zijn. Hij sloot zijn oogera en hief zijn gezicht, Aangerand en geteisterd

Een neger

Om ’t voorhoofd onder ’t kort gekroesd Haar klemt een breede gouden hoepel. Hij oliet ’t stalen lichaam soepel, Houdt de oorera waaksch en de oogen woest. Scherp is zijn speer en scherp zijn worp. Hij vlijmt door ruggen en