‘Zijn God onderricht hem’ De landsche dochteren en zonen Tezaâm. In stilheid opgegroeid, Met blonde haren, ronde konen, En armen waar het bloed in bloeit, Zien bij het rijpen hunner jaren Hun struischheid en hun taaie kracht, En als hen
Tag: gedicht aanwezig
Het stamboek
In een register had hij opgeschreven Den stamboom van zichzelf, paarden en vee. Al wat ’t bedrijf groot maakte, telde mee. En voorin stond: kasboek van dood en leven. Des Zondagsmiddags na de tweede preek, Zat, rookend, hij te peinzen
Familiedag
Van heinde en verre komt de sippe saâm, Een dag per jaar, om met elkander te eten, En op te rakelen wat moet vergeten Der vaadren veeten en hun eigen faam. Zij smullen lang van ’t hartig nagerecht En lasteren
De slang
Zij is de erkende profetesse. Haar achterklap en voorgevoel Worden aanvaard als wijze lessen, Gesproken met een ernstig doel. Wie haar ontmoet langs ’s heeren wegen, Stemmig van haardracht en kleedij, Weet niet, wat duivelin hij tegen Komt, vol van
Het grauw
Weest vruchtbaar, zeidet Gij; en onder alle volken Was ’t onze snel en stipt gehoorzaam aan Uw woord. Wij daalden als een zwerm sprinkhanen uit de wolken En overdekten ’t veld en teelden welig voort. De wachtgen schenden ons: Uw
De kluizenaar
Hij was de heele wereld doorgetrokken, Had op zijn crucifix en zwaard geleefd En bouwde een but van zoden en van blokken En werd een man, die naar den vrede streeft. Hij vocht met slangen en versloeg rabauwen En wandelde,
De worsteling
Hij huiverde; toen hij gebeden had En weder door de droge beek wou gaan, Zag hij een Engel vliegen langs de maan. En vleuglings hield een schaduw hem omvat, En boog hem achterover en hij viel. Iets zachts, dat langs
Jacob zegent zijn zonen
Zij vreesden allen hem, en zij ontweken Den oude, die hen met zijn handen zag, En wisten, dat zijn weten op hen lag, Ofschoon zijn oogen waren blindgekeken; En wendden zich gelijk een hond zich wendt Naar goede brokken; en
De bader
Zijn bronzen lichaam blonk in zonneschijn. Op ’t water blonk zijn beeld spieglend gebroken. En in die spiegeling is hij gedoken En rees, om voor zichtelven vreemd te zijn. Hij sloot zijn oogera en hief zijn gezicht, Aangerand en geteisterd
Een neger
Om ’t voorhoofd onder ’t kort gekroesd Haar klemt een breede gouden hoepel. Hij oliet ’t stalen lichaam soepel, Houdt de oorera waaksch en de oogen woest. Scherp is zijn speer en scherp zijn worp. Hij vlijmt door ruggen en