De profetes

Na de bedwelmingen en haar extazen Lag zij ter aarde als een geschonden rijs, Een uitgebloeide tak, en hun verbazen Zag, hoe de heerlijkheid van ’t paradijs, Die door haar wil rondom hen was gerezen, Vervaalde, en plotsling gromden zij

Voorbij

Zij was zoo jong en zoo bedorven. Ze zei: ze had te lang gezworven. Haar oogen waren al gestorven. Zij was in het moeras ontstaan. Zij was een blauwe gentiaan, Geplukt, en welkend dichtgegaan. Men heeft haar teeder weggedragen. Ze

De doode

Zij maakten eerst een weinig rouwmisbaar En trokken, wat hij nimmer had geduld, Een rechte scheiding in zijn stugge haar En die werd boordevol met licht gevuld. En ’t was of hij zich wreekte, want een hoon Kiemde om zijn

De wind

Er ging een lichte dreuning door het huis. De gore lucht hing laag en geurde bitter. De bolle spiegel kaatste ’t tuinpad witter En werd ontvoerd en sloeg schittrend in gruis. Toen was ’t of uit de hooge rozelaar Plotseling

Het meisje

Zij leed zoolang, dat droom en visioen Veel eerder dan haar kleederen versleten. Haar leven werd tot aan haar jeugd vergeten Zij droeg een jurkje van gebloemd. katoen. Vlak voor haar venster stond de stille tuin Wachtende; was ’t een

De schilder

Hij schilderde, en somtijds was hij dronken. Hij joeg den roes na, en hij schilderde Zelden en trager, en verwilderde Zijn wezen; uit zijn doeken sloegen vonken En duisternis; een gouden chaos zwol En spookte om aangezichten zondoorblonken. En zijn

De oude man

Hij leeft vijandig tussen het ontluiken Van ’t vredig huisgezin; als late sneeuw Zich handhaaft in de schaduw van de struiken. En in hun dromen brengt hij angst en schreeuw. Daar is hij drijfzand voor hun zware voeten, En onweerdreigen