Na de bedwelmingen en haar extazen Lag zij ter aarde als een geschonden rijs, Een uitgebloeide tak, en hun verbazen Zag, hoe de heerlijkheid van ’t paradijs, Die door haar wil rondom hen was gerezen, Vervaalde, en plotsling gromden zij
Tag: gedicht aanwezig
Voorbij
Zij was zoo jong en zoo bedorven. Ze zei: ze had te lang gezworven. Haar oogen waren al gestorven. Zij was in het moeras ontstaan. Zij was een blauwe gentiaan, Geplukt, en welkend dichtgegaan. Men heeft haar teeder weggedragen. Ze
De doode
Zij maakten eerst een weinig rouwmisbaar En trokken, wat hij nimmer had geduld, Een rechte scheiding in zijn stugge haar En die werd boordevol met licht gevuld. En ’t was of hij zich wreekte, want een hoon Kiemde om zijn
De overval
Zij waren jongens van het land, Die meer dan wij van paarden wisten. En ’s avonds liepen heele risten Met onze meisjes aan de band. En dat besliste. dier en vrouw Zijn beiden uit ons bloed geboren. Alle bezinning ging
De fabrieksarbeider
De riemen en de raadren, Al wat verdooft en blindt, Zijn hem niet meer dan blaadren Opruischend in den wind. Hij durft zich te begeven Tusschen de tasters heet. De gladde plank ten leven Is smal, dood snel en wreed.
De wind
Er ging een lichte dreuning door het huis. De gore lucht hing laag en geurde bitter. De bolle spiegel kaatste ’t tuinpad witter En werd ontvoerd en sloeg schittrend in gruis. Toen was ’t of uit de hooge rozelaar Plotseling
Het meisje
Zij leed zoolang, dat droom en visioen Veel eerder dan haar kleederen versleten. Haar leven werd tot aan haar jeugd vergeten Zij droeg een jurkje van gebloemd. katoen. Vlak voor haar venster stond de stille tuin Wachtende; was ’t een
De schilder
Hij schilderde, en somtijds was hij dronken. Hij joeg den roes na, en hij schilderde Zelden en trager, en verwilderde Zijn wezen; uit zijn doeken sloegen vonken En duisternis; een gouden chaos zwol En spookte om aangezichten zondoorblonken. En zijn
De oude man
Hij leeft vijandig tussen het ontluiken Van ’t vredig huisgezin; als late sneeuw Zich handhaaft in de schaduw van de struiken. En in hun dromen brengt hij angst en schreeuw. Daar is hij drijfzand voor hun zware voeten, En onweerdreigen
De stammoeder
Zij werd zeer oud en boven de verbanden Van bloed en tranen, tot een heilig ding, Een vaandel, dat in sterke jonge handen, Over de hoofden van de schare ging, In glans en schaduw, met geheimvol zwaaien, En onbarmhartig dwingen