Le roi soleil

Het schittrend hof was maar een achtergrond, En zijn geweldigen werden coulissen, Die achter zijn snel koninklijk beslissen Tezamen schoven, en hij, stralend, stond Op ’t hoog bordes, waarvoor de tuinen lagen En de allee?n en de wateren, Bedwongen en

Lenin

Het eerst ontnam hij hen het vaderland, En loog dat zij de wereld wederkregen. En listig ving hij in zijn wijden zegen Van haat: hun goed, hun liefde en hun verstand. Hij heelt hun ziel, dat weerloos vogelnest, Hun laatst

Mussolini

Zijn oorsprong had hij in het volk Dat donker als een donderwolk Tezamen dromde en dreigend morde. Toen vormde hij tot heir de horde. Hij richt de bliksem, waar hun vaste Oerdrift zich brandend in ontlastte. Hij drijft de bui,

Radboud

Hij dacht: gedoopt, ben ik een zondelooze, Een nieuwe man, geneigd tot vrede en rust, Die needrig ’t kruis en priestervoeten kust,? Toen stond zijn denken voor het grondelooze Stil, maar hij waagde snel en koen den sprong Zijn vaadren

De muur

Hij is de sterkte van zeer velen, Die allen hun geduld en kracht Tezamen doen en samen deelen, En worden één onwrikbre macht. De klinkers rusten en zij dragen, De mortel scheidt en zij verbindt. En schoon het fundament moet

De plas

Van de rivieren afgesneden, Eenzelvig, maar onaangetast, Handhaaft de plas zich in ’t gemeden Moeras, waar ’t riet haar eng omwast. Er trekken stalen helderheden En zware schaduwen door haar. Wat in den hemel wordt geleden, Geschiedt hier even grootsch

De dom

Terwijl ze aan ’t fundament nog wroetten, Keken, met oogen van de mortel blind, De bouwers op in zonneschijn en wind, Of zij den torentop reeds groetten. Hij werd hun als een zoon, veel ranker En edeler dan ’t voorgeslacht;