Hij nam maar weinig van de schalen, En reikte zelden naar zijn glas, En wist hun schuwe vreugd wel dwalen Om zijn gelaat, dat stil genas. Zij zagen op zijn strakke wangen Als maazlen de aangloei van een blos, Die
Tag: gedicht aanwezig
Le roi soleil
Het schittrend hof was maar een achtergrond, En zijn geweldigen werden coulissen, Die achter zijn snel koninklijk beslissen Tezamen schoven, en hij, stralend, stond Op ’t hoog bordes, waarvoor de tuinen lagen En de allee?n en de wateren, Bedwongen en
Lenin
Het eerst ontnam hij hen het vaderland, En loog dat zij de wereld wederkregen. En listig ving hij in zijn wijden zegen Van haat: hun goed, hun liefde en hun verstand. Hij heelt hun ziel, dat weerloos vogelnest, Hun laatst
Mussolini
Zijn oorsprong had hij in het volk Dat donker als een donderwolk Tezamen dromde en dreigend morde. Toen vormde hij tot heir de horde. Hij richt de bliksem, waar hun vaste Oerdrift zich brandend in ontlastte. Hij drijft de bui,
Radboud
Hij dacht: gedoopt, ben ik een zondelooze, Een nieuwe man, geneigd tot vrede en rust, Die needrig ’t kruis en priestervoeten kust,? Toen stond zijn denken voor het grondelooze Stil, maar hij waagde snel en koen den sprong Zijn vaadren
Willem de Zwijger
Hij werd een balling met de ballingen. En aan het somber hof van den bigorten Koning verhief een nar de lof des zotten, Van hem, die binnen de omwallingen Der dorpsche steden ’t volk ten opstand riep, Vol hartstocht naar
Princelijk regiment
dat ick Godt den Heere, Der Hoogster Majesteyt Heb moeten obediëren In der gherechtigcheyt. Ik koos het heerschen niet, ik ben er toe geboren: In dit beperkt domein van leven en van tijd, Die, onder mij geschikt, God blijven toebehooren,
De muur
Hij is de sterkte van zeer velen, Die allen hun geduld en kracht Tezamen doen en samen deelen, En worden één onwrikbre macht. De klinkers rusten en zij dragen, De mortel scheidt en zij verbindt. En schoon het fundament moet
De plas
Van de rivieren afgesneden, Eenzelvig, maar onaangetast, Handhaaft de plas zich in ’t gemeden Moeras, waar ’t riet haar eng omwast. Er trekken stalen helderheden En zware schaduwen door haar. Wat in den hemel wordt geleden, Geschiedt hier even grootsch
De dom
Terwijl ze aan ’t fundament nog wroetten, Keken, met oogen van de mortel blind, De bouwers op in zonneschijn en wind, Of zij den torentop reeds groetten. Hij werd hun als een zoon, veel ranker En edeler dan ’t voorgeslacht;