Wij moeten worden als de boomen, Die luistren in den diepen Grond. Dan, zal een ruischen door ons stroomen, En alle blaadren worden mond. De nederigen en de vrouwen Gelooven ’t open woord gezwind; Zij overreden het mistrouwen Der mannen;
Tag: gedicht aanwezig
De componist
Hij had de deuren afgesloten En alle vensters dichtgedaan. Toen is zijn leven weggevloten En weer als melodie ontstaan. Ontbindingen, en samenstroomen Van zielsbezit en zinnenbuit, Vermoedingen en vondsten komen Schokkend en glijdend tot geluid. Het is een eindeloos versterven
De zwerver
Uw goedheid schiep de tuinen en de weiden, Het stuifzand en de bosschen zonder pad, En mij, die zich als vreemdeling liet leiden, Naar wensch en toeval rustig nederzat, Tevreden met wat Gij hebt voorgeschreven Tot sterking van dit dwalende
Emblemata – I Het licht
Als ’t donkert, wordt het licht ontstoken, En langs de muren, vreemd en fel, Rekken en krimpen duistre spoken, En doen wat gij doet, even snel. Gij schrikt, en denkt. het licht schenkt leven Aan wat niet was en niet
Emblemata – II De korenwanner
De sikkel snerpt door ’t rijpe graan, En kweek en krodde, waar ze stonden, Wordt mee geslagen en gebonden En zullen mee ten dorschvloer gaan. Straks klopt de vlegel op de schoven, En op de wan danst, zwaar en straf,
Emblemata – III De ijsbloem
Het vriest, de nevels moeten wijken. Men stookt in hut en in paleis, En ’s morgens op de ramen prijken De wonderbloemen van het ijs. O flonkertak, o ranke varen, O tooverspel van vocht en wind, Uw schitteren, waar wij
Emblemata – IV De wesp
Zij is’ een fluitend vonkje vuur Recht uit een fellen brand gevlogen, Een nietigheid met groot vermogen, Want zij verkoopt haar leven duur. Raak haar niet aan, haar gouden lijnen Omspannen doodelijk venijn. Zoo moet voor God ons hart wel
Emblemata – V Het rusthuis
Hoe schoon begon de reis vanmorgen. De wegen waren koel van dauw. Maar God heeft straks den wind verborgen. De hitte maakt het harte flauw. Doch daar in ’t lommer is geklater, Een kleine bron spoelt met geruisch Haar helder
Emblemata – VI De bijen
Zij hebben in hun strooien hutten, Gedreven door ontembren vlijt, Een schat vergaard, niet uit te putten Door nooddruft noch brooddronkenheid. Maar ach, de mensch, tuk op bezitten Van wat een ander zich ontzegt, Heeft de met zoet gevulde kitten
Emblemata – VII De paddestoelen
In ’t bosch, alleen, en soms in kringen, Verschijnt dit zonderling geslacht, Zoo onverwacht als mijmeringen En droomen van geluk en macht. Verleidlijk zijn zij en zeer machtig, Beschikken over wee en wel. Zij maken ’t leven u deelachtig En