II Hoe kwellen mij herinneringen Als helle kinderstemmen zingen Van zalig thuis en eeuw’ge vreê Ik speelde met mijn broeder samen, En door hoog opgeschoven ramen Schertste mijn moeder met ons mee. Vader stond met het volk te praten. De
Tag: gedicht aanwezig
Gesprek van vader en moeder
Ik zie den jongen aldoor verder gaan. Ik voel hem aldoor dichter bij ons komen. Het leed is bijna van mij weggenomen. En daaglijks word ik meer met rouw belaan. Verscheurd waait onze naam door ’t gansche land, En overal
De oudste zoon spreekt:
Kunt ge uw verdriet niet laten varen? Ben ik niet bij u thuis gebleven? Heb ik niet willig heel mijn leven U laten reeglen en bestaren? En nu ik ’t erfgoed mag bestieren Naar eigen wil en wet en orde,
De oudste peinst:
O God, verlos mij van dit kruis ! Ik wil der buren spot niet dragen, Hoe schamper durfden zij te vragen: ‘En wanneer komt uw broeder thuis’? Dan dansen wij den zevensprong ‘, Zoo schertsten zij; ‘ ’t kan dan
Hongerende
God, aan den nood der weelde ontkomen, Temt Gij mijn leven door gebrek? Waarom ontstelt Gij mij met droomen? Hoe kunt Gij dringen tot vertrek? ‘k Droom: avond is ’t, de damp der spijzen Waait mij verlokkend te gemoet. De
En hij peinst:
Gaan? om mijn moeders leed te zien? En of mijn vader ook vergrauwde? Hoe hoor ik ’t slissen van den oude. Hoe strompelt zij nabij misschien. O, en dit wreedel als ‘k verslagen Haar blikken mijden voor mij staar, Zijn
De vader
O bitterheid van slaap en wake: Altijd te staren naar zijn keer! En huiv’ren, dat hij niet zal naken, En koppig wachten, altijd weer! Is dan mijn liefde niet bij machte Zóó sterk te wezen, en zóó wreed Dat ‘k
De moeder
Ik voel zijn ziekten en zijn zonden; Ik tuimelde mét hem in ’t slijk, Want bloed blijft steeds met bloed verbonden. Dies is mijn hart zijn open wijk! Ik hunker niet, dat hij zal komen, Ik wéét, wat hem verwijt
Terugtocht
De heide was zóó donker en zóó vocht, Of ik mijn doolpad door een zee moest banen. Het weerlicht toonde spottend honderd lanen, Maar nergens was het wielspoor dat ik zocht. Ik klom de ronding òp, en viel de bocht
Bij huis
Het zuigend zand belet mijn spoed, En teistert mijn ontvelde voeten. O rouwel en iedren stap te moeten Betalen met mijn bloed! Ontluisterd, en onteerd, berooid, Uitwasemend bederf en schande, Lig ‘k voor uw deur in ’t zonnebranden, Een gistig