De vader

O bitterheid van slaap en wake: Altijd te staren naar zijn keer! En huiv’ren, dat hij niet zal naken, En koppig wachten, altijd weer! Is dan mijn liefde niet bij machte Zóó sterk te wezen, en zóó wreed Dat ‘k

Bij huis

Het zuigend zand belet mijn spoed, En teistert mijn ontvelde voeten. O rouwel en iedren stap te moeten Betalen met mijn bloed! Ontluisterd, en onteerd, berooid, Uitwasemend bederf en schande, Lig ‘k voor uw deur in ’t zonnebranden, Een gistig