Ik bad: Heer, laat uw dienstknecht gaan, Als Gij mijn zoon hebt weergegeven; Maar nu ‘k hem zóó berooid zie staan, Smeek ik : och, laat mij voor hem leven ! Een boom, vermolmd van ouderdom, Kan amper vrucht, schraal
Tag: gedicht aanwezig
Tot vader en moeder
‘k Begeer geen broedergoed, ik kom niet nogmaals erven. Mijn honger watertandt niet naar zijn lekkernij. Vader, ‘k hoopte u te zien; moeder, bij u te sterven, God heeft ’t mij toebedeeld, nu laat mij ’t leven vrij. Nog is
De oudste peinst:
Ik zag ’t van ver: het huis was licht, De dorschvloer dreunde van ’t alarm. En ‘k stond voor ’t raam, met wit gezicht Hing hij zoo moede in moeders arm. Ik heb verloren, en hij wint. Al werkend was
Peinzende en ziek
Ik hoopte, zonder hoop: te leven ! O nieuw begin . Maar God sprak: sterf Dies heb ik mij den Heer gegeven In hope, dat ‘k den hemel erf ! Hoe moeilijk valt mij het ontstijgen Aan ziekte en leed,
En hij peinst:
Mijn handen werden wit als ’t linnen Waarop hun broze moeheid rust, Dank, God, die eindelijk der zinnen Laatste oplaai zachtkens hebt gebluscht. Nu ben ik stil en wit van binnen En van de wereld onbewust. Ik kan alleen nog
De moeder
O kind, dat hebt gezworven Zoo ver, om liefde en lust, En thuisbracht een bedorven Hart, hunkerend naar rust, Hier zullen ziekte en zorgen U plegen, nu, vereend Met Godes wil, geb?rgen, Ge in moeders handen weent. Wees stil, zij
Veni creator
Verlosser ! kom ! De wereld wacht! Die struikelen en dolen, Heel dit wanhopige geslacht Heeft zich aan U bevolen. Blinden gaan tastend naar U uit, En luistren scherp op elk geluid. De doove speurt alom Of hij U ziet
O hart
O hart, dat naar Gods liefde smacht, En luistert als de wereld lacht En voelt U opgetogen Bij ’t lachen harer oogen, Durft gij de rust van uw gemoed Voor ’t blinken van haar waardloos goed En kort genot verruilen?
De luiken
Om hitte en onrust uit te sluiten, Doen wij de zware luiken dicht. Nu dringt uit het rumoerig buiten Alleen de klaarheid van het licht, Want zie, de harten zijn nog open, En zon komt helder ingezeefd En toont, van
De zon
Als ik de bouten uit de klampen Licht en de luiken opensluit, Uw stralen, dat met damp moet kampen, Is ’t, zon, dat in mijn oogen stuit. ‘k Zie u de nevelen ontstijgen En hoe ge in ’t stijgen glanzend