De moeder

O kind, dat hebt gezworven Zoo ver, om liefde en lust, En thuisbracht een bedorven Hart, hunkerend naar rust, Hier zullen ziekte en zorgen U plegen, nu, vereend Met Godes wil, geb?rgen, Ge in moeders handen weent. Wees stil, zij

O hart

O hart, dat naar Gods liefde smacht, En luistert als de wereld lacht En voelt U opgetogen Bij ’t lachen harer oogen, Durft gij de rust van uw gemoed Voor ’t blinken van haar waardloos goed En kort genot verruilen?

De zon

Als ik de bouten uit de klampen Licht en de luiken opensluit, Uw stralen, dat met damp moet kampen, Is ’t, zon, dat in mijn oogen stuit. ‘k Zie u de nevelen ontstijgen En hoe ge in ’t stijgen glanzend